is toegevoegd aan uw favorieten.

Uit de bron

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tienmaal in haar leven naar de stad geweest en had nog nooit op een trein gezeten. Een naaimachine kende zij heelemaal niet. Zij had er nooit eene gezien. Maar zij dacht, dat het ook zoo iets was gelijk die trein, de eerste, die door 't land reed, en waar zij, nu wel meer dan zestig jaar geleden, met honderden en honderden uit t dorp, naar was gaan kijken, «'t Es de zwarten duuvel!» hadden de menschen toen geroepen, en met schrik waren zij er van weggehold... Kleeren maken met een naaimachine! Ach! in haar tijd maakten de menschen zelf hun kleeren, of als ze 't niet konden, dan lieten zij n kleermaakster aan huis komen, die ze daar maakte waar zer bij waren, zonder vreemd geknutsel noch bedrog, louter met de handen...

— Hawèl es 't goed, greutmoeder Renske? Mag 'k ze nou zondag goan keupen? vroeg nogmaals het meisje, bevend en bedeesd.

Ha, 'k en kan-e 'k ik doar nie aan doen as ge gij da van ou

eigen geld betoalt, moar 't en es het toch mijn goeste niet, klaagde 't oudje met een diepen zucht.

Zij was weer bij haar spinrad gaan zitten, had het smeulend oliepitje aangestoken, en spon... Het houten rad snorde, haar oude, gerimpelde, knokkelige vingers, haspelden nog met verbazende bedrevenheid het spinrokken af. En haar getaand, onder een witte vleugelkap met breed bruin lint bijna geheel verborgen hoofd, was ook als een spinrokken, waarvan zij spookachtig de onzichtbare draadjes afspon, aldoor, halsstarrig, zonder eind... Haar heele leven lang had ze gesponnen. Haar spinnewiel, voor haar gemaakt, toen ze zestien jaar oud was, was met haar oud, en ruig, en versleten geworden. Zij had er gesponnen, daar, bij dat kleingeruit, groenachtig raampje, als jeugdig, mooi, blond meisje, met fnssche wangen en schitterende oogen, denkend aan den minnaar, die haar s zondags naar de dorpskermissen vergezelde. Zij had er gesponnen als stoere, kloeke huisvrouw, met een drukke, lawaaiige schaar kinderen om zich heen. Zij had er gesponnen, oud reeds en eenzaam, nadat allen, die zij had opgevoed en grootgebracht, vertrokken of gestorven waren... En nu spon zij er haar laatste dagen, bij dat laatste kleindochtertje, dat haar naam droeg, en mooi en blond was, zooals zijzelve vroeger was geweest... Haar arbeid, eertijds goed betaal , bracht nu haast niets meer op; en zij hoefde ook niet meer te wei ken, want zij had genoeg gespaard om haar laatste dagen rustig, zonder