is toegevoegd aan uw favorieten.

Uit de bron

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Weer wordt het net gehaald. Nu zie ik toch wel iets: trouwens, ik hoor het ook. Het is alsof er vier of vijf groote pantoffels tegen elkaar liggen te vechten.

— O! Snoek! Snoek! Snoek! brult dof de kleine. En 't oogenblik daarna liggen de spartelende pantoffels naast de smakkende en klappende karwatsen in den korf.

Eensklaps, terwijl het net nauwelijks weer is neergelaten, haalt de oude visscher met geweld het op, rukt het uit het gras, vlucht er mee achter het boschje. De kleine grijpt naar zijn mand, trekt me mee, duwt mij daar met geweld achter de heesters neer.

— Wat scheelt er toch? vraag ik onthutst.

— De sandurms! Hé-je ze nie gezien! He-je nie heure komen!

Ik heb niets gezien, niets gehoord, maar nu zie ik ze wel. Zij komen

kalmpjes pratend aangekuierd, op inspectie langs het water; en bij een opflikkerend weerlicht zie ik ook plotseling de twee gestalten, met de bajonet op het geweer vlak tegenover het plekje, waar wij zeiven straks gezeten hebben. Hun voeten schuifelen door 't hooge Kras- zii kuieren langzaam verder... 3

i ~ HVT van°avond! orakelt fluisterend de oude visscher. En sluipend vluchten wij met onzen buit naar huis toe...

* * *

Hoe lang is dat alles alweer geleden, en waar gebeurde het?.. Het was m Vlaanderen, lange, lange jaren her; in het schoone Vlaanderen van vreugd en vrede, waar zelfs het misdrijf nog iets grappigs had. Gaarne gaf ik iets van de laatste jaren of dagen die ik verder te leven heb, om nog eens met de twee stroopers mee te mogen gaan, op een zwoelen zomeronweersnacht, daar, langs het aarig beekje, m de besloten visscherij van meneer Fitór, terwijl hij bij

wS°°w^e -m m Ope van Vreede » borrels zit te drinken...

Wie weet... wie weetl