is toegevoegd aan uw favorieten.

Uit de bron

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

doen met gevaarlijke booswichten: zij leiden ze eenvoudig naast zicli op, zeker dat zij hun niet zullen ontsnappen.

Joelend, meer en meer luidruchtig en driftig, zich rechts en links uitbreidend gelijk de vleugels van een klein leger, volgt de menigte. Knapen loopen scherp-gillend den treurigen stoet vooruit, roepen, met sprongen en gebaren, andere bengels bij zich. En plotseling stijgt een woest en lang gegil op: de ruwe menigte, stom-opgehitst, jouwt, uit louter instinct van wreedaardigheid, en zonder te weten wie ze zijn en wat of ze misdaan hebben, de twee ellendigen uit.

Deze doen of ze 't niet hooren. Den moeden blik strakstarend vóór zich uit gevestigd, den rug gekromd, stappen zij vlugger door, als uitsluitend met een te bereiken doel bekommerd. Het is alsof ze verdwaald liepen onder die vijandige menigte, of ze gedompeld waren in een akelige nachtmerrie. De zware knevel van den oudste doorstreept zijn hoekig, bruingebrand gelaat als met een stugge lijn van berusting in alles: het bleek, ontvleesd gezicht van den jongeren verliest haast alle levensuitdrukking, alsof het zou versteenen in een beeld van smart en wanhoop.

Zij stappen weer over de houten ophaalbrug, die onder het voetengetrappel davert. De jouwende menigte, door de engte der brug een oogenblik achteraan gehouden, stroomt nogmaals naar voren, overvleugelt opnieuw den stoet, vooruitgeloopen door de krioelende jongensbende, voortdurend nog versterkt door nieuwe toevloeiende groepen. En nu weergalmt, door het gejouw heen, een kreet van haat, alom herhaald: « De gevangenen zijn dieven, op heeterdaad betrapte dieven, die de gendarmen naar de dorpsgevangenis opbrengen!»

t Is inderdaad daarheen dat zich de stoet met rassche schreden wendt. Daar staat het, het laag, bouwvallig krot, het «kot», zooals de dorpelingen 't noemen: vuilwit gekalkt, bezoedeld, met grauw leien dak, naast het ingangshek van 't kerkhof, een tiental meters van het kerkje.

Men houdt er stil. Een der gendarmen, de brigadier, steekt een zware sleutel in 't verroeste slot, opent de ruige deur, die in haar hengels knarst. Het hoofd buigend verdwijnen de ellendigen onder een laatste, nog woester hoongejouw van 't volk, in het zwart-vochtig hok.