is toegevoegd aan uw favorieten.

Uit de bron

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gevoel van duizeling-door-drank, dat in den ruwen optocht met de Duitschers hselemaal was weggewaaid. Hadden zij eigenlijk niet geweldig-veel gedronken zonder er iets van te weten en begon het nu pas weer in de veiligheid en zonder gevaar te werken? Zij waren opeens rijk, dat was het! Dat gansche leege dorp, 't behoorde hun toe: zij moesten maar gaan en nemen! Er was geen «mijn» of «dijn » meer, 't lag alles nu voor 't grijpen en, als vanzelf, strompelden zij naar de verlaten huizen toe en drongen, op hun beurt, er binnen.

Was dat nu ook al plunderen en stelen wat zij deden? Zij wisten 't niet precies meer; alles was immers omgekeerd en in hun geest vertroebeld. Zij deden wat de Duitschers hadden voorgedaan; zy namen de verlaten dingen; zij aten en zij dronken tot ze niet meer konden; en toen zij eindelijk weer buiten kwamen hadden zij nog nauwelijks de noodige kracht om op hunne slappe beenen overeind te blijven en, elkander bij de armen vasthoudende, naar hun eigen dorp terug te waggelen.

't Werd avond toen zij er aankwamen. De roode zon ging onder in een meer van vuur en weerkaatste als een brand in de glinsterende ruiten. Ook daar geen mensch meer. Alles gevlucht en verlaten nadat de Duitschers hen hadden opgepakt en aan elkaar gebonden om hen dood te schieten. De vier gezellen vonden nog hun tafeltje met de omvergeloopen stoelen onder het geveltje van 't Anker staan, waar zij 's ochtends hadden gezeten. Zij namen er weer plaats, als om de onderbroken fuif nog voort te zetten, haalden de flesschen wijn uit hun zakken, staken sigaren op en brulden weldra opnieuw met volle kelen 't heldenlied, dat echoënd tegen de verlaten huizen opgalmde :

«Zij zullen hem niet temmen Den fieren Vlaamschen leeuw!»

Zoo zaten zij een heele poos, alleenheerschend in 't doodsche dorp, tot het haast donker werd. Toen zagen zij ginds verre, ginds heel héél verre aan 't uiteinde der straat, iets schemerachtigs zich bewegen. Het drong telkens even op en dook weer weg, als in voortdurend willen en niet durven. Pierke Putters was de eerste die 't bemerkte. Hij staakte er zijn brallen voor, rees waggelend overeind en riep: — Ze zijn doar weere!