is toegevoegd aan uw favorieten.

Uit de bron

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De jeugdige verlofganger zat in ons midden: mager, bruingebrand door zon en wind, maar sterk en pootig in zijn rustige houding, met een kin die sprak van mannelijke energie en heldere oogen, die je recht en frank aankeken: oogen, die «gezien» hadden hetgeen zijn stem vertelde: al het wreede en leelijke, maar ook soms het aangrijpende en grootsche van den oorlog.

— Vertel ons nu eens een der tafereelen, anecdoten of gebeurtenissen, die je 't meest getroffen hebben? vroeg een van ons.

De jonge soldaat glimlachte en iets als van een verren droom kwam even in de uitdrukking zijner lichte oogsn. Hij haalde aan zijn sigaret, glimlachte nog eens, en zei:

— Ik zal u iets vertellen, een kleine anecdote, over de wilde katten aan den Yser. Kleine details treffen ons soms sterker dan geweldige gebeurtenissen. Deze laatste leest u immers in de kranten, met de noodige leugens, — vooral met de leugens, — erbij. Bij mijn verhaal komen geen leugens te pas. Het wordt er wellicht minder pakkend door, maar 't geeft althans een kijkje op ons werkelijk leven aan het front.

En hij vertelde:

Wij kwamen tegen den avond, twee makkers en ik, op de plaats waar wij vermoedelijk enkele maanden zouden doorbrengen. Het was op een vooruitgeschoven post, heel eenzaam, in een land van slijk en water. Wij waren moe, dood-en-dood-moe. Ik herinner mij niet ooit zóó moe te zijn geweest. Wij hadden het grootste gedeelte van den dag gemarcheerd, zwaar beladen met allerlei gepak en wij kenden slechts één groot verlangen: daar ergens onder een of ander miserabel afdak op een min of meer drogen stroozak neer te ploffen en met of zonder eten te slapen, te slapen, alsof we nooit meer zouden moeten wakker worden.

Het was een kille schemeravond in het vroege voorjaar. De vijan-