is toegevoegd aan uw favorieten.

Uit de bron

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het arme dier miauwde even van de pijn en wij zagen de haren over zijn rug branden, maar hij blééf op zijn jongen liggen.

Toen nam er een van ons een kloek besluit. Hij keerde zijn zak om, trok dikke handschoenen aan, omwond zijn armen met lappen en touwen en stapte vastberaden naar de brits toe. 't Was een gevecht en geschreeuw en geblaas of men een jongen tijger wilde pakken; maar hij had hem toch eindelijk onder bedwang en zoo droeg hij hem naar buiten, terwijl een van ons volgde, met de jonge poesjes in zijn kepi.

Er was daar nog een heel klein hokje, waarin wat hooi en afval lag en daar werd de gansche nijdige familie opgeborgen.»

De jeugdige verlofganger zweeg. Hij glimlachte stil, zijn oogen droomden, als op verre beelden gevestigd. Hij stak een versche sigaret op en blies snel na elkaar de blauwe rookgulpjes weg.

— En hoe is het dan verder afgeloopen! vroeg een stem.

— Hoe het verder afgeloopen is? herhaalde hij droomerig. Nou; 't had wel beter gekund. De beestjes groeiden aardig op en zelfs de wilde moederpoes werd gaandeweg iets minder nijdig. Wij hechtten ons aan die dieren en speelden er mee. Eens, op een avond, toen wij uit de loopgraven terugkeerden, zochten wij tevergeefs naar ons slaaphutje. Het was verdwenen, als in rook vergaan en op de plaats waar het gestaan had, vonden wij niets dan een diepen kuil, met wat asch en afval. Een granaat was daar tijdens onze afwezigheid ingeslagen' Werden de poesjes gedood of verbrand? Konden zij nog bijtijds vluchten en behooren ze nu, evenals hun moeder-poes, tot den zwervenden stam dter wilde katten van den Yser? Wie zal het zeggen? Wij weten het niet.

De verlofganger zweeg. En om ons heen, in de dalende schemering, kwam als een sluier van stilte en kwellende droefheid hangen.