is toegevoegd aan uw favorieten.

Uit de bron

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toen de oorlog uitbrak werd André ingedeeld bij een sectie mitrailleurs met honden. ïk heb hem zien vertrekken en het afscheid van zijn vrouw en kinderen bijgewoond.

André was een flinke, jonge werkman. Hij maakte niet veel misbaar en had het land aan nutteloos gejammer en geschrei. Zijn gezicht was bleek en stond ernstig, met ietwat pijnlijk-saamgefronste wenkbrauwen; maar hij sprak zijn jong vrouwtje moed en hoop in en herhaalde voortdurend, in het geraas en gejoel der andere soldaten, die met hem op den trein stonden te wachten, dat hij wel terug zou komen, en dat zij weer gelukkig zouden zijn.

Zijn vrouwtje schreide. Zij schreide aanhoudend en kon niets anders dan schreien. Zij hield haar oudste kind, — een meisje, -— bij de hand; zij droeg haar jongste, — een knaapje, — dat nog niet alleen kon loopen, op den arm; en... dat er ook een derde werd verwacht, kon men wel merken.

De trein vertrok, onder wild gejoel en gejuich en gezang, met gezwaai en gewuif van zakdoeken; en in het dorp werd het heel stil, stil van dagenlange spanning en benauwend wachten.

Er kwamen brieven. Het vrouwtje ontving brieven van haar man, die het goed maakte. Vol heropgewekte hoop kwam ze mij die toonen en ik wees haar op de kaart, waar hij zich ongeveer bevond. Dat duurde zoo enkele dagen. Toen hield het eensklaps op. Zij hoorde niets meer.

Onmiddellijk kwam weer de droefheid en de wanhoop. Zij schreef en kreeg geen antwoord. Zij trok naar het hoofdkwartier in de stad en vernam daar, dat zijn afdeeling in een der groote slagen zwaar gehavend was geweest en dat er veel voor hem te vreezen was, hoewel niemand hem had zien vallen. Hij stond als « vermist » op de verlieslijst geboekt.

Dagen en weken verliepen. Af en toe kwam het vrouwtje bij ons,