is toegevoegd aan je favorieten.

Nelly Degenstein

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ongeveer 2 Meter in 't vierkant. Het had een klein raampje in den voorgevel, dat geheel bedekt was door een wit gordijntje. Langs de muren waren eenige planken getimmerd, waarop een groote voorraad stond van ouderwetsche kopjes en schoteltjes, vergulde kommen, sierlijke kannetjes, ouderwetsche drinkbekers, opengewerkte fruit- en boterschalen, terwijl daarachter, rechtop staande, een menigte porseleinen borden en schalen prijkten. Op geregelde afstanden hingen tegen den muur blinkende lepels, twee aan twee over elkaar gekruist en daartusschen hingen de platte tinnen kroezen met opengewerkte, breede ooren, de zoogenaamde „braandewienkommen", die, gevuld met brandewijn en rozijnen, op de bruiloft van Stijntjes moeder nog van mond tot mond waren gegaan. Nelly kon een uitroep van bewondering niet weerhouden. „Goamienije," zei Stijntje, „is joew dat zóó mooi? ie zollen toch zeggen, hè? doar kiek ik nou nooit noar." Zij nam een der grootste kannen en deed toen een kleine deur open, die van „de keamer" naar den kelder leidde. Daar stond een lange rij koperen melkvaten en enkele potten, allen vol melk. „Kiek nou ers, Nelly!" zei ze, „ier 'eb ie 'n slief (pollepel), schöp nou moar uut de veurste pot an de westkaant, dat 's de varsche." Al sprekende was ze een paar treden afgedaald en stond nu in den kelder in gebogen houding, want het was er zeer laag van verdieping. „Kiek," zei ze, met een