is toegevoegd aan uw favorieten.

Nelly Degenstein

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wat kan mij dat schelen, hoe ik uit Giethoorn kom, zorg jij eerst eens fatsoenlijk, dat ik er in kom." De koetsier haalde onverschillig de schouders op: „ik breng de menschen nooit verder dan tot den dijk," zei hij, „dat kan ik immers niet. Ik heb hier nog wel anders reizigers afgezet, 's winters als alle landen onder water staan .. „En hoe kwamen die lui dan in Giethoorn?" „Ja, ziet U, als ze niet verwacht worden, dan roepen ze net zoo lang, tot iemand ze hoort en dan worden ze wel gehaald met den punter, maar dat helpt U om dezen tijd van t jaar niets. Maar ik moet weer terug, anders krijg ik met mijn baas te doen." Dit zeggende keek de koetsier als of hij zeggen wou: geef me nu maar een flinke fooi dan is de zaak afgedaan, ,,'n Mooie boel!" bromde de Burgemeester, „daar kom je voor uit Berlijn om hier aan den dijk te gaan staan.' De koetsier werd plotseling opmerkzaam. Aha! mijnheer kwam uit Berlijn! Een mijnheer uit Berlijn die kwam het zeker op geen half uurtje rijden aan en er zat misschien nog een extra fooi op. „Als ik mijnheer eens een eindje verder reed," stelde hij voor. „Deze steegen zijn allemaal koeielanden met hekken, maar een uurtje verder daar draait het dorp een beetje naar den dijk, daar kunt U gemakkelijk langs, t Is alleen maar, ziet U, bij wie mijnheer moet zijn. „Bij Geert Kollen.' „Die ken ik niet, maar ik bedoel in 't Noord- of 't Zuidend." „Dat weet ik niet," zei de Burgemeester, „maar dat komt er ook niet op