is toegevoegd aan uw favorieten.

Nelly Degenstein

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Stiene," zei het vrouwtje, „en die woont 'eel wied in 't Zuudende. Ie moeten moar Zudert op loopen," zei ze, wijzend in die richting, „dan koem ie d'r van zelf." „Dank je wel," zei de burgemeester en welgemoed stapte hij verder. Het dorp was niet onaardig, vond hij. Veel water, veel boomen, een paar molens met een aardig vondertje, dat was wel schilderachtig. Nu draaide de weg; de huizen stonden hier veel dichter bij elkaar en waren bijna allen door vondertjes of bruggen gescheiden. Hier was het werkelijk bekoorlijk: de gracht was breed en helder; hooge boomen bogen er zich bevallig over en vormden op sommige plaatsen een prachtig gewelf. Burgemeester Degenstein hield veel van natuurschoon en betreurde den omweg niet. Een kwartiertje verder vroeg hij nog eens naar Geert Kollen. Dezen keer was de aangesprokene een man, die kortaf zei: „Geert Kollen? Zudert op, nog 'n 'éél ende!" „Nog'n heel end," dacht de burgemeester, „hoe ver zou 't eigenlijk nog zijn?' Hij was nog niet moe, maar voor zijn genoegen zou hij nu toch niet langer omloopen. Met eenigszins versnelden pas vervolgde hij zijn weg, beantwoordde vluchtig de vele groeten en bemerkte niet, hoe achter menig gordijntje nieuwsgierige oogen hem nazagen. Het viel hem op, hoe beleefd de kinderen waren. Van gooien of uitjouwen, zooals men dat op enkele plaatsen ondervindt, was hier geen sprake. Integendeel, toen hij voorbij een huisje kwam waar eenige kinderen op „de trappe" zaten, werd hem in