is toegevoegd aan je favorieten.

Nelly Degenstein

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

allen ernst vriendelijk toegeroepen: „dag doomeneer! dag doomeneer!" Een vrouw, die juist uit huis kwam om de kussens naar binnen te halen, die ze aan den muur had hangen te luchten, keek beter toe. „Och kiender toch," zei ze, ,,'t is de doomeneer niet iens." Maar de doomeneer knikte vriendelijk terug: „dag kindertjes!" Hij werd wel wat moe, maar zijn humeur leed er nog niet onder. Even verder zag hij aan den waterkant twee meisjes, waarvan de een bezig was aardappelen te schillen. De ander scheen een praatje te houden. Ze had een mandje onder den arm, dat zorgvuldig was toegedekt met een sneeuwwitten doek, en uit dat mandje steeg een heerlijke geur van versch brood. Nu voelde de burgemeester plotseling, dat hij trek had en dorst ook, vooral dorst. De gracht was hier bijzonder helder en het plekje heerlijk schaduwrijk, toch kwam het niet bij hem op, wat water te vragen, maar hij begon nu alle huizen aandachtig op te nemen of niet ergens gelegenheid was, iets te gebruiken. Zoo liep hij al maar verder, tot hij eindelijk dacht wel haast aan het eind van zijn reis te zijn.

Daar zag hij een jonge vrouw, die water uit de gracht schepte. Ze keek even op om te groeten. „Ben ik al haast bij het huis van Geert Kollen?"

„Bij Geert Kollen? Nee, nog lange niet, die woont 'oaste op 't tippien van 't Zuudende."

„Hoe ver is dat nog?" ,,'n 'Alf uurtien."

Een half uur! Dat was wel wat lang voor iemand, die