is toegevoegd aan uw favorieten.

Nelly Degenstein

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

navraag deed naar enkele bijzonderheden. „Ik had den man haast onrecht aangedaan," dacht de heer Degenstem, „gelukkig, dat ik nog al 'n groote fooi gegeven heb. „Ik meende," zei Stijntje, „dat ie joew mit de weagen tot 't Noordende 'adden loaten brengen; dan bin j' toch over Steenwiek 'ekoemen en dan koem ie de Vosjacht toch niet veurbij?" „Nee, ik ben over Meppel gekomen." „Moar stumper nog toe!" riep Stijntje, dan bin j' 'ier aachter 't 'uus langs 'ereden. Toew ie bij de Vosjacht wearen, wear ie vlak bij oons." „Ja, ik weet wel, dat ik een omweg heb genomen, maar ik heb nu meteen Giethoojn eens gezien," zei de burgemeester. „Nou, ie 'ebben vaaste ook'edocht: mien gaang is gien doktersgaang, twies dat ik goa dan schimmel ik niet." Allen lachten. „Dus U gaat niet mee?" vroeg Nelly. „Nee," antwoordde haar Vader, „ik weet er alles van; dan moet je steegen door met hekken en koeien, dank je wel!" „Aha Papa!" zei Nelly, was het dat! Geen vrees voor schimmelen maar vrees voor koeien! Maar de steege, die ik weet, daar behoeft u geen hekken te klimmen en daar loopen nu sinds een paar dagen alleen maar 'n stuk of vijf varkens." „Mdór 'n stuk of vijf varkens!" herhaalde de burgemeester, „zeg Nelly, sinds wanneer sta jij op zoo'n goeden voet met die beesten ?" „Ze 'ef bij mij in de leere west," zei Stijntje met een goedkeurenden blik naar Nelly. Hierop ging ze aan haar werk; Geert, de burgemeester en de kinderen gingen