is toegevoegd aan uw favorieten.

Nelly Degenstein

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij had het kleine patientje beloofd, lekkers mee te zullen brengen, als ze zoet was. Annigje, gewend aan gehoorzaamheid, vond den dokter zoo'n „oarige man", zooals ze al dadelijk bij zijn eerste bezoek verklaard had, dat ze ook zonder deze belofte graag zijn bevelen had willen opvolgen. Beertje evenwel had des te aandachtiger geluisterd, toen er sprake was van „lekkers" en ze had al meermalen verlangend naar den dijk gezien of „de doktersweagen ' nog niet kwam. Dezen morgen stond ze juist op den uitkijk, toen de postbode kwam; zij volgde den man in huis en toen ze hoorde, dat er een brief was van den burgemeester, nam ze een mandje, waar haar moeder wel eens boodschappen mee deed en stapte naar buiten, het brugje over. Het Novemberzonnetje scheen helder, zoodat zich van Beertjes klein figuurtje een duidelijke schaduw op den grond afteekende. Het kind keek er plotseling naar: „'n schoapien!" zei ze hardop, „mit twee oorties!" Werkelijk geleek de schaduw veel op de beelden, die haar vader zoo dikwijls op den wand maakte, wanneer ze in de schemering bij 't vuur zaten. Haar uitroep deed een jonge vrouw, die op „de trappe" juist water schepte, omzien.

„Woor wol ie noar toe?" vroeg ze.

„Sukergoed ealen!" antwoordde Beertje. „D'r is 'n breef van den börgemeister."

,,'n 'Eele maande vol, denk ik hè?" zei de vrouw lachend. „Woor is joew moeder?"