is toegevoegd aan uw favorieten.

Het honderdjarig bestaan van de Leidsche maatschappij van weldadigheid, ter voorkoming van verval tot armoede

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tWas in Leiden in het laatst der achttiende en 't begin der negentiende eeuw voor het grootste deel der bevolking een droeve toestand. Reeds in de jaren vóór de revolutie zag 't er met de industrie treurig uit en in de jaren van beroering, die volgden, kwam hierin naar te begrijpen is, geen verandering ten goede, 't Werd er niet beter op, toen het continentaal-stelsel, voorbeeld van een heilloozen handelsoorlog, handel en nijverheid ontzettende schade berokkende. Al dat leed heeft de industriestad Leiden volop meegemaakt. Wel werden pogingen gedaan om iets te doen weerkeeren van den ouden bloei, maar steeds zonder eenig resultaat.

Leiden kwijnde en de zeer talrijke arbeidersbevolking vooral maakte kommervolle tijden door. De vele fabrieken waren niet bij machte al de werklieden, die vóór dezen tijd van industrieele slapte daar aan den arbeid waren, in dienst te houden. De werkloosheid en de daarmee gepaard gaande armoede en gebrek deden den gezondheidstoestand sterk achteruitgaan en groote sterfte was hiervan het gevolg. Bij een zoo abnormalen toestand was 't niet denkbaar dat het herstel van Neerlands onafhankelijkheid onmiddellijk betere tijden zou kunnen brengen.

Zoo was 't in de Sleutelstad gesteld, toen den 21sten October 1817 de secretaris van het departement Leiden van de Maatschappij „Tot Nut van 't Algemeen" namens dit departement aan de ingezetenen de volgende circulaire zond: