is toegevoegd aan uw favorieten.

Het honderdjarig bestaan van de Leidsche maatschappij van weldadigheid, ter voorkoming van verval tot armoede

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Uit dit verslag vernam men, dat de stad in dertig blokken was verdeeld, zoodat door den grooten steun in sommige wijken zelfs meer dan één medewerker kon optreden. Veel arbeid was van hen gevraagd, want zoo groot was het aantal behoeftigen, dat de hoofddirectie — die het in den oproep genoemd bedrag voor steun als basis had aangenomen — zich genoodzaakt zag het verbazend groot aantal aanvragen te schiften en te verminderen.

Maar ten slotte konden 131 gezinnen met 540 personen worden geholpen. De finantieele hulp overtrof de verwachtingen. Hiervóór heeft men kunnen zien, hoe een klein aantal Leidenaars, wier hart warm klopte voor hun hulpbehoevende stadgenooten, een aanzienlijk bedrag bijeenbrachten.

Met dat geld was niet alleen directe stoffelijke hulp verleend. Een gedeelte was gebruikt om indirect, maar daardoor in ruimere mate hen, die niet door eigen schuld in een slechteren materieelen toestand waren gekomen, te helpen. Daartoe was een linnenfabriek opgericht, en ten einde niet alleen mannen en jongens, maar ookmeisjes. meerdere ontwikkeling bij te brengen, nog een drietal naai-en breischolen. Voor verbetering van den maatschappelijken en zedelijken toestand waren deze middelen beter dan het geven van levensmiddelen, turf, kleedingstukken, enz. en uit dien hoofde werden bij voorbeeld ook gereedschappen verschaft of grondstoffen voor eenig handwerk noodig. Een heerlijke voldoening moet 't zijn geweest reeds dit eerste jaar, dat een werkman, die op deze wijze geholpen was, het hem voorgeschoten bedrag terugbetaalde. En ook dat vele ouders inzagen, hoe goed t was hun kinderen naar school te zenden, wanneer de medewerkers daartoe aanmoedigden. Aan blijken van tevredenheid en dankbaarheid had het niet ontbroken.

Door de medewerking, die allerwege ondervonden werd, kon met de binnengekomen gelden nog meer worden gedaan, dan men hoopte. Zoo stelde de gemeente voor de Maatschappij het brood beschikbaar uit de stads-armenbakkerij, waardoor dit vrij was van impost op het gemaal, daardoor kostte het roggebrood slechts 3 stuivers per brood van 3 pond en het tarwebrood 2 stuivers 10 penningen per