is toegevoegd aan uw favorieten.

Het honderdjarig bestaan van de Leidsche maatschappij van weldadigheid, ter voorkoming van verval tot armoede

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

brood van 1'/2 pond. Uitgedeeld waren 2024 roggebrooden en 532 tarwebrooden, waarvoor was betaald ƒ 373:8:8.

De Waalsche en Roomsche diaconieën stelden de Maatschappij in de gelegenheid turfloodjes uit te geven en tegen 14 stuivers per stuk werden 313 van die bons uitgedeeld, waarvoor ƒ 219:2:0 benoodigd was.

Er was geen gevolg gegeven aan het plan een magazijn voor aardappelen op te richten, wijl men geen risico wenschte voor bederf. Daarom werd met verkoopers een overeenkomst aangegaan en op bons werden 390"4 Agchelen aardappelen verstrekt. Het bedrag, dat hiermee gemoeid was, was ƒ614: 19:8.

Verder werd voor 258 maten grutten, 185 maten groene erwten en 77 maten havergort nog ƒ 200: 11:0 betaald.

Voor kleeding werd ƒ103:14:0 besteed, voor 't koopen van een 62-tal hemden van diverse grootte.

Er was nog een belangrijk werk te doen, een andere beslommering, die jarenlang de aandacht zou vragen, In een stad met een sterk verarmde bevolking, 't zij dat deze armoede een chronisch verschijnsel is, of slechts tijdelijk zich doet gelden, zal een toenemende bloei al is die van bedenkelijken aard — ontstaan bij de banken van leening. Hoe menigmaal zijn deze niet de eerste toevlucht. Tijdelijk is men geholpen en een klein bedrag behoeft slechts betaald om het verpande weer te bekomen. Maar ook de weg naar den lommerd is geplaveid met goede voornemens. Hoe dikwijls blijkt niet na korten tijd vraag het maar eens aan de beheerders van dergelijke instellingen — dat voor velen lossing der panden onmogelijk is. Zoo stond de Maatschappij dikwijls voor de noodzakelijkheid hulp te verschaffen om de meest onontbeerlijke kleedingstukken terug te krijgen. Dat was niet zoo heel weinig. Het voorloopig verslag, hetwelk in de hiervóór genoemde bijeenkomst werd uitgebracht, vermeldde, dat hiervoor was besteed een som van ƒ398 : 2 :8 en toen later de rekening werd vastgesteld, bleek dit ƒ422:6:8 te zijn! Ziedaar wel een treurig beeld van verarming. Nog eenmaal, het volgend jaar, werd dit bedrag hooger, n.1. ƒ507:13:8, maar daarna kwam er gelukkig daling, hoewel men eerst met het dienstjaar 1853/54 't mogelijk achtte deze wijze van steun te laten varen.