is toegevoegd aan uw favorieten.

Het honderdjarig bestaan van de Leidsche maatschappij van weldadigheid, ter voorkoming van verval tot armoede

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Waar de Maatschappij reeds eenige jaren als werkgeefster optrad door de stichting van een afdeeling voor kleeding-industrie, werd in deze statuten ook opgenomen de bepaling, dat de steun zou bestaan in het verschaffen van arbeid aan ingezetenen al of niet opgenomen zijnde bij de Maatschappij. De uitbreiding van den werkkring maakte het ook noodig in deze nieuwe grondwet te bepalen dat er een commissie zou zijn voor het beheer van de afdeeling Arbeid en tevens een voor de afdeeling Arbeiderswoningen. De eerste dezer afdeelingen is ten slotte opgeheven en daarmee dus de daarbij behoorende commissie verdwenen.

De nieuwe statuten brachten nog een andere wijziging, gevolg van de veranderde denkbeelden op maatschappelijk gebied. _

De hooge inschrijvers hadden bij de oprichting groote voorrechten gekregen. Die vervielen thans evenals de bepaling, dat de hoofd-directie zichzelf aanvulde. Dit zou in 't vervolg door de algemeene vergadering geschieden, wat sedert dien gebeurt. Wel met een kleine wijziging, want de praktijk duldde geen langdurige vacatures. Sedert 1885 doet de hoofd-directie een voorloopige benoeming, die evenwel de bekrachtiging der algemeene vergadering noodig heeft, welke vergadering ook bij periodiek aftreden de benoemingen doet.

De veranderingen ten opzichte van de hooge inschrijvers schijnen finantieel niet voordeelig te zijn geweest, te oordeelen naar de groote daling van de inschrijvingen. In 1843/44, 1844 45 en 1845 46 b. v. bedroegen met respectievelijk 173, 178 en 185 inschrijvers de inkomsten op dit hoofdstuk ƒ4038.80, ƒ3753.20 en ƒ4330.90. In 1846 47 kwam nog ƒ3549.20 binnen — het aantal inschrijvers werd niet meer vermeld — doch sedert kwam een aanzienlijke teruggang en na een paar jaren was het bedrag niet meer dan 21 a 2200 gulden.

Nog moeten we iets aanstippen uit de statuten van 1845, en wel dat daarin werd vastgesteld, dat een bedrag van ƒ600 elk jaar moest worden uitgetrokken voor het verschaffen van medicijnen, enz. aan de ondersteunden. Een zoo groote som is niet dikwijls noodig geweest en in de latere jaren kwam er een aanzienlijke daling, een gevolg waarschijnlijk van de steeds meer ingang vindende gedachte, dat aan-