is toegevoegd aan uw favorieten.

Het honderdjarig bestaan van de Leidsche maatschappij van weldadigheid, ter voorkoming van verval tot armoede

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

penningmeester en secretaris en bij het lid dat het voorstel tot ondersteuning deed. Niet de geheele hoofd-directie behoefde hier in gekend. Deze commissie alleen zou ook over al of niet ondersteuning kunnen beslissen en zorg dragen voor de uitreiking van het beschikbare bedrag.

Hier was 't dus noodzakelijk dat steeds met geld moest worden gesteund en kon worden gesteund, omdat, de personen die worden geholpen in aanmerking genomen, er geen gevaar zal bestaan voor onnut besteden. Op hoe kiesche wijze wordt de betreffende persoon in het bezit van het hem toegedachte bedrag gesteld. Nooit zal er eenige aanwijzing zijn omtrent de schenkster, nooit zal er gelegenheid zijn tot terugzending. De Maatschappij heeft zoo menigeen gelukkige oogenblikken bezorgd.

Na de beslissing van 1887 prijkt de begrooting dus steeds met een bedrag van ƒ640 voor pauvres honteux, doch daar toevallig zulke gevallen ter keniTis moeten komen, is de jaarlijks toegekende som zeer afwisselend. Vanaf 1886 87 zijn de uitgaven op dit hoofdstuk na te gaan. Slechts éénmaal is in den tijd tot 1916 17 — in een-endertig jaar dus — de raming overschreden n.1. in 1895 96, toen ƒ 655.25 werd toegestaan Maar tweemaal werd niets uitgegeven. Hieruit ziet men reeds, hoe groote variatie er in dit bedrag is. In totaal is in de hiervoor genoemde een-en-dertig jaar aan pauvres honteux ƒ7915.10 gezonden.

Vanaf de oprichting is steeds de meeste aandacht geschonken aan het onderwijs. Men weet reeds, hoe bij de oprichting der Maatschappij naai- en breischolen werden gesticht en dat de ondersteunden werden opgewekt hun kinderen naar school te zenden. In de laatste helft van 1855 werd op een andere wijze voor de geestelijke ontwikkeling gewerkt. De Kweekschool voor de Zeevaart kwam tot stand en de medewerkers werden opgewekt na te gaan in de door hen gesteunde gezinnen of er jongens waren, die lust gevoelden te worden opgeleid voor den stand van oorlogsmatroos. Maar de overtuiging won veld, dat er daadwerkelijk meer moest worden ingegrepen. Zoo kon