is toegevoegd aan uw favorieten.

Het honderdjarig bestaan van de Leidsche maatschappij van weldadigheid, ter voorkoming van verval tot armoede

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der stukken een beslissing zou worden genomen, werd Leiden minder geschikt geoordeeld voor het werken van een dergelijk bureau.

De aandacht was echter eenmaal op dit punt gevestigd en een vijftiental jaren later vatte prof. dr. D. Siegenbeek van Heukelom den strijd weer op, gesteund door mr. J. A. F. Coebergh. Weer werd een onderzoek ingesteld, ditmaal met meer resultaat, want 20 Juli 1891 werd besloten tot de oprichting van een Informatie-Bureau met ingang van 21 October d. a. v. Het bureau zou een afdeeling der Maatschappij zijn, onder leiding van een commissie, waarin de beide hiervoor genoemde, heeren zitting hadden. Een crediet van ƒ400 werd den heeren ter beschikking gesteld. In een circulaire werd der burgerij van de oprichting kennis gegeven. Medewerkers en contribuanten der Maatschappij konden gratis van dezen dienst gebruik maken, aan nietcontribuanten werden ook inlichtingen verstrekt en aan hunne beleefdheid was 't overgelaten in den vorm van een vergoeding van hun dankbaarheid blijk te geven. De strijd tegen de bedelarij wilde men krachtig aanvatten. Overbekend was 't, hoe menige gift door onoordeelkundig geven in verkeerde handen kwam, hoe, wat gegeven werd om nood te lenigen in sterken drank, juist de oorzaak van zooveel armoede en ellende, werd omgezet.

Daarom toonde men het eerste jaar van het bestaan van het bureau tegemoetkoming jegens hen, die, hoewel daartoe misschien zeer goed in staat, de Maatschappij van Weldadigheid niet steunden. Men had hier bovendien een reclamemiddel, een zeer idieelen vorm van bestrijding van armoede. Door te verhinderen dat onnut gegeven werd, kon beter worden gesteund, waar met eenig recht goede resultaten mochten worden verwacht. Dat was het doel van dit bureau. Een eenvoudig memorandum met naam en woonplaats van den aanvrager en ook van hem of haar, die zich om een aalmoes of steun op andere wijze had aangemeld, zoo noodig onder toevoeging van eenige bijzonderheden, aan den informateur gezonden en binnen één of twee etmalen waren in den regel de gegevens verstrekt, waaruit bleek of het verleenen van steun gewenscht en gewettigd was. De informateur was er met bekwamen spoed op afgegaan en had van den