is toegevoegd aan uw favorieten.

Het honderdjarig bestaan van de Leidsche maatschappij van weldadigheid, ter voorkoming van verval tot armoede

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarin duidelijk het doel van een instelling, zooals men beoogde op te richten, uiteengezet was. Op den huidigen dag heeft dit rapport nog zijn volle waarde behouden. De behoefte aan crediet werd bij de kleine burgerklasse even sterk gevoeld als bij de hoogere standen van de maatschappij, zooals de commissie verklaarde. Het crediet had de gedaante der wereld veranderd, had de welvaart tot groote hoogte opgevoerd; het was een factor van beteekenis geworden.

Deze hulp ontbrak de minvermogende klasse geheel. En toch had zij daar alle reden tot bestaan, want zelfs bij de woekerwinsten van tien en twintig pCt. wisten de „handelaars in de achterbuurten" het geld nog productief te maken. Een hulpbank moest hen helpen, die crediet verdienen. „Crediet", zegt het rapport, „is vertrouwen en vertrouwen laat zich niet opdringen. Men kan den arme een gift schenken, maar men kan hem geen crediet geven, wanneer hij dat niet werkelijk bezit, 't zij dan om zijn persoonlijk karakter, 't zij dan om den arbeid, dien hij verricht". Daarom werd er ook op gewezen, dat wie zich bij een hulpbank voor een minvermogende borg stelde, er in gemoede van overtuigd moest zijn, dat dit slechts een formaliteit was. Hier lag het hoofdbeginsel van de instelling, want werd dit uit het oog verloren, dan zou de bank slechts een soort armenkas zijn, met al de nadeelen daaraan verbonden. Dan zou worden opgewekt de verderfelijke gewoonte op de krachten van anderen te steunen. Het doel moest zijn een zuivere credietinstelling te vormen, die voor de leeners op zoo gunstige condities als mogelijk zou kunnen zijn, moest werken.

Het rapport overtuigde de algemeene vergadering en 28 Maart 1862 begon de bank haar werkzaamheden.

In het eerste bestuur voor de bank benoemde de hoofd-directie haar medeleden de heeren J. van Heukelom, mr. J. Th. Buys, P. I. de Fremery en M. A. Kluit en verder de heeren D. J. Cockuyt, M. H. Esser, D. A. Kelder, J. Hartevelt, mr. J. Luzac, mr. S. Ie Poole, H. P. J. van Wensen en B. W. Wttewaall.

Voor den aanvang der werkzaamheden had het lid der Hulpbank mr. J. Th. Buys in de pers doel en werking uiteengezet en de verzoeken een grooter of kleiner bedrag ter leen te mogen ontvangen