is toegevoegd aan uw favorieten.

Het honderdjarig bestaan van de Leidsche maatschappij van weldadigheid, ter voorkoming van verval tot armoede

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor de vermindering aangegeven de „schokken in het maatschappelijk leven". Bovendien waren nog kort de nieuwe statuten in werking, waarbij de bijzondere voorrechten voor hooge contribuanten waren vervallen.

In 1845 46 kwam aan bijdragen nog ƒ 4330.90 binnen, in 1846/47 ƒ3549.20 en nog een jaar later ƒ2959.79. In twee jaar tijd een vermindering van inkomsten van bijna ƒ1400! En de daling hield aan en eenige jaren later was het gemiddelde zoo ongeveer 22 a 2300 gulden. 1857 58 gaf op deze post geen hoogere inkomsten dan ƒ1926.20 en met forsche sprongen ging 't naar beneden tot minder dan ƒ1100 in 1865 66. Vijftien jaar lang kwamen de gezamenlijke bijdragen van contribuanten niet hooger dan ruim ƒ1000 a ƒ1100. En dat waar eens op dit hoofdstuk ruim ƒ6500 was genoteerd!

Doch gelukkig kwam na deze vijftien jaar, van 1865 66 tot 1879 80, een wijziging ten goede. Na eenigen tijd werd weer ƒ1752.30 ontvangen en al kwam er wel weer een daling nadien, over het geheel stegen toch de inkomsten uit vaste jaarlijksche bijdragen en in 1894 95 was ƒ2000 overschreden. Nog éénmaal is men beneden dit bedrag gebleven n.1. met ƒ 1717.25 in 1907 08; éénmaal ook ver daarboven en wel ƒ3066.25 in het jaar hieraan juist voorafgaand. Er was dus meerdere belangstelling weer gekomen voor de Maatschappij van Weldadigheid en al is er, helaas, vanaf 1908 09, toen ƒ2558.20 werd gecontribueerd, een geleidelijke vermindering, toch mocht in het laatste boekjaar van contribuanten nog ƒ2022.55 worden ontvangen, een bedrag, dat naar te hopen is in de eerstvolgende jaren weer een ferme stijging mag ondergaan.

De Maatschappij heeft, naar uit de jaarverslagen is op te maken, in honderd jaar van haar bestaan van contribuanten ontvangen ƒ271.091.55. Daarbij zullen eenige kleine bedragen zijn van geïnde renten, wijl in de eerste veertig jaar van het bestaan der Maatschappij in de verslagen niet steeds een gespecificeerde opgave der inkomsten werd gegeven, al kon dit ook nog vele malen in dit tijdperk worden nagegaan. De laatste zestig jaar werden deze renten wel afzonderlijk vermeld, daar toen de inkomsten uit anderen hoofde zoo aanzienlijk