is toegevoegd aan uw favorieten.

De rechtsverhoudingen in de Vereenigde Doopsgezinde Gemeente te Haarlem

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van binnen (door presbyterium of kerkorde), in alle aangelegenheden de stem der gemeente beslissend. Bij de doopsgezinden bestond nimmer een kerkverband met vaste reglementen, wetten en machtsbevoegdheden als bij de groote volks- en staatskerken. Zij vormden los naast elkander staande gemeenten, die van synoden (welke zij overigens als middelen tot gemeenschappelijk beraad op prijs stelden (4)) geenerlei inmenging dulden.

Met dit grondbeginsel onverbrekelijk verbonden en uit hetzelfde godsdienstige bewustzijn daarmee opgewassen was een ander: het recht der gemeenteleden op zeggingsschap, gewoonlijk aangeduid als het recht der broeders of het recht der broederschap. Achtte een gemeente van wederdoopers zich een gemeente van wedergeborenen en door den Geest in alle waarheid geleide kinderen Gods, hiërarchische overheersching heeft een oprecht doopsgezinde nimmer geduld, van geen enkelen kant, ook niet van een kerkeraad. Autonoom èn souverein was de gemeente, autonoom naar buiten, souverein naar binnen.

De gemeente had de beslissende stem.

Wél waren ook bij de doopsgezinden de leeraren (oudsten, opzieners) en diakenen in hooge eer en werd aan hun positie de hoogheid van een goddelijke ordineering en hemelsch instituut toegekend: aan hen was de prediking, de bediening van doop-en avondmaal en de oefening der algemeene christelijke liefdadigheid; met de gave der handoplegging hadden zij de taak om de gekozen dienaren, voordat zij tot hun ambt werden toegelaten, met het oogop de leer te onderzoeken; bij hun vergadering, aanvankelijk „de kamer", sinds de achttiende eeuw meer gewichtig ook de kerkeraad genoemd, berustte de leiding van alle zaken betreffend de gemeente, het initiatief tot nieuwe plannen, de uitvoering van genomen besluiten, het recht om de gemeente ter vergadering op te roepen en haar voorstellen te doen; uit hen werden gewoonlijk de afgevaardigden naar de een of andere „synode" van doopsgezinden gekozen, zij onderteekenden aldaar genomen besluiten, als „kamer traden zij in het algemeen als vertegenwoordigers der gemeente op. Evenwel mochten zij niet over de gemeente heerschen, zij waren haar „dienaren" en hadden haar te beschouwen als een orgaan van den heiligen geest (3).

Aan de gemeente was het, alle zaken van belang bij meerderheid van stemmen hetzij te beslissen of ter afdoening aan de kamer op te dragen. Brachten de heerschende zede, eerbied voor