is toegevoegd aan uw favorieten.

De rechtsverhoudingen in de Vereenigde Doopsgezinde Gemeente te Haarlem

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hut bijbelsch gebod dat dc vrouwen in dc gemeente moesten zwijgen; het voorbeeld van de in Handelingen 6 : 2, 15 : 2, 22—25 en elders in het Nieuwe Testament vermelde gemeentevergaderingen mede, dat de vrouwelijke leden geen stem hadden, het recht der „broederen" stond vast (<* en 7). De „broedervertoeving" zooals de ledenvergadering elders, de „broederhandeling" zooals zij te Haarlem heette, benoemde de dienaren, zoowel de „dienaren diakenen als de „dienaren des Woords"; zij bepaalde of met doopsgezinden uit andere plaatsen een synode zou worden gehouden en wie daar de gemeente zou vertegenwoordigen (8); zij excommuniceerde wie door leer of wandel aanstoot gaf, en besliste over de aanvragen van hen die hetzij door doop of bij attestatie lid der gemeente wilden worden; een en ander onder leiding deidienaren, van wie ook de oproep ter broederverhandeling uitging ((J). In alle belangrijke zaken werd zij door de dienaren gekend, en wanneer dat soms verzuimd werd ontzag zij zich bijwijlen niet de dienaren ter verantwoording te roepen of zelfs reeds tot uitvoering gekomen besluiten te vernietige.n en een geheele „kamer" te laten heengaan (10). Met betrekking tot de gelden der gemeente was het in hoogster instantie aan haar te beslissen, zoowel op welke wijze en door wie zij bestuurd als tot welke doeleinden zij aangewend zouden worden (n), natuurlijk binnen eventuëele door testatairen gestelde perken. Bij de gemeente der op belijdenis gedoopten paste geen menschelijk oppergezag, één was hun meester, zij waren allen broeders. De typisch doopsgezinde inzetting welke den leeraren öf in het geheel niet öf alleen op uitnoodiging en dan vaak nog alleen voor de extra-comparities een plaats in „de kamer" inruimde, houdt wellicht met den afkeer van hiërarchische overheersching verband en moet in zoover uit het grondbeginsel van de autonomie der gemeente verklaard worden (12).

In de praktijk was een en ander niet altijd bevorderlijk voor den vrede. De broederhandelingen ontaardden niet zelden in broedertwisten (13). Deze ervaring, in verband met een zeker oligarchisch instinct hetwelk schijnt te ontwaken in de menschen zoodra zij in een bestuurscollege zijn gekozen, leidde in vele groote stadsgemeenten de dienaren ertoe de broederhandelingen hoe langer zoo meer te beperken, buiten zekere zaken te houden of met een eigenaardig soort tact te behandelen. Zij spraken met elkaar af een zeker voorstel op de volgende verhandeling den broederen „smakelijk te maken (14). Zij legden elkaar op poene van soms zware