is toegevoegd aan uw favorieten.

De rechtsverhoudingen in de Vereenigde Doopsgezinde Gemeente te Haarlem

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rechtstreeks door den kerkeraad, tenzij bij uitzondering, maar door gecommiteerden, die, hoewel begiftigd met een groote mate van zelfstandigheid, toch in hoogster instantie aan het gezag van den kerkeraad als gemachtigde van de gemeente, a fortiori aan het gezag der gemeente zelf ondergeschikt waren. Ontving de secrete kas, juister: ontving de gemeente ten bate harer secrete kas een legaat waaraan bindende bepalingen waren verbonden, dan waren de directeuren voor zoover het die gelegateerde gelden betrof nog eens in het bijzonder gebonden, maar niet zoo, dat zij daaraan het recht konden ontleenen om, indien de gemeente de geheele kas opvorderde, te weigeren aan de vordering te voldoen. De gemeente bleef souverein ook over de secrete middelen, natuurlijk (maar dit was een gewetenszaak, en het was haar zaak) binnen de door eventueele testatairen gestelde bepalingen (38).

Tweemaal is in den loop der jaren verandering aangebracht in de positie der administrateurs. In 1713, aan het einde van het geschil, hetwelk drie jaar hangende was geweest, onthieven dienaarschap en broederhandeling de administrateuren van het bestuur der kas (II), in 1739 gaven zij — niet zonder protest van enkele broederen (IX) — de kas weer aan een college van directie over (VIII), en dit niet alleen, zij keurden ook goed dat die directie aanmerkelijk zelfstandiger tegenover (of naast) de dienaarschap kwam te staan dan de vroegere directeuren.

Over het geschil tusschen dienaren en administrateuren in 1710—1713 zie noot 37 en 38 en bijl. II.

Wat het besluit van 1739 aangaat: eenige leden uit de gemeente —- blijkbaar ongeveer dezelfden die in 1727/28, toen de eerste „gestudeerde" leeraar werd beroepen, en in 1735 bij de beroeping van ds. Wijnalda, zich hadden verbonden om in samenwerking met het Fonds Craaienstein (42 slot) voor het salaris te zorgen (39), zoodat de beroeping „buiten last der gemeente" kon geschieden (VII) —- hadden in genoemd jaar „buiten last der gemeente" gelden bijeengebracht tot een „Fonds tot verbetering en onderhoud van den predikdienst" onder het bestuur van vijf „directeuren" (VIII, 40). Op voorstel van den kerkeraad (die nog altijd sinds 1713 zelf de secrete kas bestuurde (41)) en „onder Approbatie der broederen" werd besloten „de Secrete kas en des„zelfs Capitaal alsmeede de Effecten en papieren daertoe behoorende „aen de voornoemde Directeurs over te geven om deselve te „behandelen volgens oogmerken waartoe dezelve is opgeregt" (Not.