is toegevoegd aan uw favorieten.

De rechtsverhoudingen in de Vereenigde Doopsgezinde Gemeente te Haarlem

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

blijkbaar zeer zelfstandig. Van rekening en verantwoording aan den kerkeraad of de broederschap, van kerkeraads- of' gemeentelijken invloed op de verkiezing van directeuren blijkt niets.

Toch lijdt het geen twijfel dat ook na 1739 de secrete kas of het fonds tot den predikdienst (de namen worden voortaan als synoniemen gebruikt) in de Peuzelaarsteeg een kas van de gemeente is geweest en geenszins een stichting naast en onafhankelijk van de gemeente. Wel is het mogelijk (uit de notulenboeken blijkt het niet) dat vooral in en na 1739 verschillende gelden en onder deze ook oorspronkelijk zelfstandige makingen in de secrete kas zijn opgenomen, welke het onafhankelijkheidsgevoel van directeuren hebben gesterkt, b.v. het fonds Isaac Crajestein hetwelk bij het beroepen van den eersten academisch gevormden leeraar (1727 en 1728) een hoofdrol speelde (42) en waarvan ds. K. Sybrandi (D.G. Bijdr. 1863 b!. 163) verzekerde dat het spoorloos verdwenen, ds. Van Gelder daarentegen meende (fo. 259, 2) dat het met de secrete kas samengesmolten is. Wel is in het algeméén de onderstelling niet gewaagd dat de secrete kas in den loop eener volle eeuw na haar instelling in 1684 in verband met allerlei veranderde toestanden en opvattingen in de gemeente een genoeg ingewikkelde geschiedenis heeft gehad om te maken dat aan de rechten en plichten, welke directeuren in 1784 hadden, in onderdeelen heel wat nadenken en juridische scherpzinnigheid zou kunnen worden besteed, al lagen alle stukken op tafel en al stonden de algemeene rechtskundige grondstellingen betreffende de rechten omtrent kerkelijke goederen vast (43). Maar wat de hoofdzaak betreft — terwijl er geen enkele grond is om te veronderstellen dat de secrete kas in de Peuzelaarsteeg in of na 1739 tot een onafhankelijke stichting is omgeschapen, ontbreekt het niet aan belangrijke en voorshands overtuigende aanwijzingen van het tegendeel.

In de eerste plaats zij opgemerkt dat de broederhandeling in 1739 niet heeft besloten de secrete kas in het nieuw opgerichte fonds tot den predikdienst te storten of te doen opnemen (zooals ds. Van Gelder schrijft), maar aan de directeuren over te geven, en wel met de uitdrukkelijke bepaling „om dezelve te behandelen „en aan te leggen volgens de oogmerken, waartoe dezelve is opgeregt „en aangelegt". Toch heeft het allen schijn dat het kapitaal van de secrete kas en dat van het fonds eerlang op één rekening zijn gesteld, de notulen na 1739 spreken van secrete kas en fonds tot