is toegevoegd aan uw favorieten.

De rechtsverhoudingen in de Vereenigde Doopsgezinde Gemeente te Haarlem

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

broederen gekozenen het beroep aan Ds. Scharf overbrachten (fo. 31 v.); de beroeping was voorbereid door „Elk der Leeden van den Kerke„kamer, de Eerwaarde Directeuren over het kapitaal tot subsidie van „den predikdienst, en verscheide waarde Leeden onzer gemeente" (de vermelding van deze laatsten wijst erop dat predikfonds nog niet in staat was twee leeraren te bezoldigen), het tractement bedroeg ƒ 1000. - 'l'ot zoover behield dus de gemeente haar recht. In 1751 evenwel en vooral in 1761 werd van de oude paden afgeweken. In 1751 werd Ds. A r k e nbout van Leiden (en toen deze bedankt had Ds. Feijnje van Zwol) beroepen in een gecombineerde vergadering van „Leeraaren en Dienaaren, met de directeuren der fonds tot den predikdienst", terwijl besloten werd „deze verkiezing aanstaande Zondag ter approbatie voor de broederen te stellen"; niemand der broederen was er tegen en weer werd een commissie van vier, twee uit de broederen en twee uit de diakenen afgevaardigd (fo. 54 v.). Op dezelfde wijze werd in 1761 Ds. Van der Horst beroepen, maar nu kwamen er moeilijkheden. Wel verhief geen der broederen zijn stem op den Zondag, waarop het beroep ter goedkeuring werd voorgesteld. Daarna evenwel protesteerden eenigen onder leiding van Izaak van Westerkappel bij geschrifte, voor de broederen het beroepingsrecht opeischend (XI). De kerkeraad besloot hen te verzoeken het beroep goed te keuren. Zij weigerden. De kerkeraad erkende niettemin het beroep als wettig, den volgenden Zondag den broederen meedeelend dat zij een beroep konden vernietigen door gegronde aanmerking op leer of leven van den beroepene en dat de kerkeraad voortaan zooveel mogelijk rekening zou houden met de wenschen der broederschap. Bij schriftelijk protest evenwel noemde Van Westerkappel het uitgebrachte beroep „teegen het recht der broederen strijdig" en „niet volgens de gronden deezer gemeente", daarbij zich beroepend op „kerken Memor. no. 2 fó. 6 art. 4" en opmerkend dat de broederen nooit van hun recht afstand gedaan hadden (XII). De kerkeraad sprak een en ander niet tegen, stemde het feitelijk toe door op de broederverhandeling voor te stellen dat ter vermijding van geschillen, waartoe de broederhandelingen vaak aanleiding gaven, de beroeping voortaan geschieden zou door leeraren en diakenen, met directeuren over het fonds tot den predikdienst. De kerkeraad verzekerde daarbij „het recht der broederen" niet te willen verkorten en dat hij aan de broederen „alle genoegen geeven" wilde. Heerschen wilde hij niet. Het zou dus goed zijn als voortaan in gewichtige zaken alle broeders, die ooit in eenig opzicht de gemeente gediend hadden, stem hadden, „dus de algemeene broederschap gevoegelijk verbeeldende" (instelling van den grooten kerkeraad XIII), „zoo nogtans dat de broederen met alle bescheidenheid „gehoort zullen worden of zij tegen de genomen besluiten iets hebben „in te brengen". „Hetwelk voorgeleezen zijnde met een algemeen stil-