is toegevoegd aan uw favorieten.

De rechtsverhoudingen in de Vereenigde Doopsgezinde Gemeente te Haarlem

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

32, n. 34 en 53) waar het geldt wijziging in de positie van directeuren te brengen, nieuwe kracht ontvangen. Over en weer zou dan nl. elk deibeide colleges afstand hebben gedaan van zijn onafhankelijke macht over een déél der kapitalen waaruit de secrete kas of het predikfonds der Vereenigde gemeente is ontstaan, om over de gehééle kas medezeggingschap te hebben, in overeenstemming waarmee elk van beide colleges in de opstelling der A. v. V. aandeel heeft gehad.

43) Wat de geschiedenis der kas betreft moeten zooals uit het vermelde blijkt onderscheiden worden: a. de in 1684 ingestelde kas, b. de jaarlijksche giften waartoe zich in 1728 eenige gemeenteleden verplichtten in samenwerking met het fonds Crajestein (42), bepaaldelijk om te zorgen voor de salarieering van Ds. Verlaan, c. het in of yóór 1739 door eenige gemeenteleden bijeengebrachte Fonds tot den Predikdienst, hetwelk straks met de in 1684 ingestelde kas vereenigd is, d. schenkingen en legaten aan de gemeente ten bate van de secrete kas of het Fonds tot den Predikdienst, gelijk.dat van Willem Palm vóór 1710 (38) of dat van Petronella Langedult in 1751.

Met betrekking tot de onzekerheid welke er bestaat ten opzichte van het recht op kerkelijke goederen kan men b.v. raadplegen de „von der Münchener Juristenfacultat gekrönte Preisschrift" van H. von Poschinger, Das Eigenthum am Kirchenvermogen (1870, DG. Bibl.). De eerste volzin luidt: „Wahrend es gewiss wenig Gegenstande gibt, die nicht „ihren Eigenthümer aufzuweisen hat, zerbricht man sich merkwürdiger „Weise schon seit Hunderten von Jahren den Kopf, wem denn eigent„lich das, Kirchengut eigenthiimlich zustehe" en hij voegt er aan toe dat de literatuur over deze strijdvraag „bald so umfangreich wird wie keine Zweite". Vgl. ook T elders. Bijdrage tot de geschiedenis van het bezit in de Doode Hand (1868) bl. 169: „de meeningen over het bezit van de „kerk waren zeer verschillend, zooals zij het steeds waren en nog zijn. „Sommigen maakten de kerk als eenheid tot eigenaar, anderen de gebeenten, en ook de leer dat de goederen God alleen toebehooren, vpnd „verdediging". Evenals Von Poschinger heeft Telders het oog vooral op de groote, hiërarchisch gelede kerkverbanden. Bij de doopsgezinden met hun zelfstandige gemeenten is de zaak wel eenvoudiger. Bij hen kan uitteraard nooit een „kerk" de rechten van „de gemeente als mystieke persoon" bestrijden. Maar daarmee is nog niet alle verschil van opvatting buitengesloten. De theorie b.v. dat het kerkegoed aan „de armen" toebehoort, of aan „de wedergeborenen", of „res nullius" is, kan ook bij hen toegepast worden en is in 1852 door de regeering feitelijk op hen toegepast (zie het Adres van 1852 bijl. XVIII; Von Poschinger bl. 262—275). Het aannemelijkst schijnt voorshands vooral bij de doopsgezinden de door den kerkrechtskundige Kryffmayr verdedigde opvatting „dasz Jede Kirche [Gemeinde] selbst soweit sie personam mysticarn vorstellt.