is toegevoegd aan uw favorieten.

De rechtsverhoudingen in de Vereenigde Doopsgezinde Gemeente te Haarlem

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In Amsterdam kreeg in 1664 de partij van A pos tooi, hoewel door burgemeesters der stad als arbiters in het ongelijk gesteld en wat hun aantal betreft verre in de minderheid bij Dr. Galenus c.s., toch een deel van de kerkelijke goederen (Ru es Tegenw. Staat bl. 162).

In de „Articulen van Conventie" van het in 1726—'27 gestichte armenhuis bij de Melkbrug (10) staat o.a.: „dat gelijk dit huis med des„selfs voor en nadeelen onafscheydentlijk is verknogt aan de gemeenten, „de Regenten sullen gehouden zijn, ook al desselfs voordeelen jaarlijks „(naar aftrek van de interesten en onkosten) 't zij veel, 't zij weinig, „zonder reek: daarvan verpligt te zijn te geven, te restitueeren". Naar de toenmalige rechtsopvatting kon het huis een stichting zijn en toch met al zijn kapitaal eigendom der gemeente, genoten regenten ruime zelfstandigheid, hoewel zij gehouden waren het jaarlijks overschot aan de dienaren ter hand te stellen (notulen D fo. 257).

53) beschikking over de gelden van predikfonds is bij de Acte van Vereeniging geregeld overeenkomstig de richting waarin de historische lijn zich ook vóór 1784 heeft bewogen. Door het gemeenschappelijk commissoriaal beraad, hetwelk aan de opstelling van het Plan van Vereeniging voorafging en waaraan afgevaardigden van den grooten kerkeraad met de directeuren der beide fondsen tezamen raadpleegden, werd bepaald: dat het (vereenigde) fonds zou strekken ter voldoening van de tractementen der leeraren, aan ieder ter somme van ƒ1400. , van twee studiebeurzen groot f 500.—, van de reiskosten voor leeraren van buiten, en van een bijdrage in het salaris van den koster groot f 50.—, terwijl in geval van vacature kerkeraad en directeuren tezamen de voorafgaande „schikkingen" voor het beroep zouden beramen, nadat directeuren eventueel het pensioen van den aftredenden leeraar vastgesteld en aan den kerkeraad verklaard hadden of de staat van het fonds de beroeping van een anderen leeraar toeliet. De beschikking der gelden is dus overgelaten niet aan den kerkeraad of aan de directeuren, maar aan het gemeenschappelijk beraad van beiden; dat het fonds eenmaal zoo zou toenemen in kapitaal dat ook nog andere belangen dan de predikdienst en in het bijzonder de in de Acte omschreven „einden" ondersteund zouden kunnen worden, is bij het opstellen der Acte niet voorzien en kan, gezien het algemeene beding dat geen der fondsen ooit tot eenig ander doeleind dan waarop het in de Acte is aangewezen mag worden aangewend, wettig niet plaats hebben zonder dispensatie of aanvulling van de Acte der Vereeniging, dus niet buiten toestemming van den grooten kerkeraad.

In geen enkel opzicht is dus de beschikking over de gelden aan directeuren alleen en zij is dat ook vroeger nooit geweest al hebben directeuren dat niet altijd voor oogen gehouden. Bij de instelling van de secrete kas in de Peuzelaarsteeg in 1689 werd het door de dienaren aan