is toegevoegd aan uw favorieten.

De rechtsverhoudingen in de Vereenigde Doopsgezinde Gemeente te Haarlem

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

\

het zich steeds om de 300 duizend, in 1835 was het 353, in 1850 428, in 1879 546, in 1918, met oorlogskoersen, 694 duizend gulden.)

Wel is het waarschijnlijk dat men in die dagen de secrete kas bij onderlinge afspraak werkelijk als een geheime kas, waarvan de buitenwacht maar liefst niets moest weten, is gaan behandelen (vgl. noot 55). Kerkeraad en gemeente het recht te verkorten is daarbij dan evenwel allerminst de bedoeling geweest. Wel kon een later geslacht uit misverstand er licht verkeerde gevolgtrekkingen uit maken.

55) Uitdrukkelijk wordt hierop gewezen o. a. in het adres van den grooten kerkeraad in 1852 (met verwijzing naar de A. v. V.) (XVIII) en in dat van den kerkeraad in 1798. Dit laatste, gericht „Aan de eerste Kamer van het vertegenwoordigend lichaam des Bataafschen Volks" zette uiteen in antwoord op een aanschrijving waarbij opgave werd verlangd aangaande de armenfondsen (met het doel ze te naasten) „dat deeze „gemeente geen afzonderlijk Armenfonds is bezittende, als hebbende" (sc. de armen regardeerend) „geen ander dan algemeen gemeentelijk „Fonds, uit giften, maakingen bij Erfenissen of Legaaten, en Collecten „na den Eeredienst bijeengebracht, waaruit het onderhoud der Kerken „en gebouwen, tot dezelve behoorende, mitsgaders de Tractementen der „Kerkelijke Bedienden, als koster, voorzangers, organist en meer ande„ren, daartoe benoodigd, worden betaald, gelijk ook daaruit onderstanden „verleend worden aan veele hunner Medebroederen Leeraren van onderscheiden Gemeenten elders en door de geheele Bataafsche Republiek, „zooals ook al verder de uitreikingen aan hunne behoeftige Medeleden .. . „Maar zig buiten staat bevinden, om eenig afzonderlijk Armenfonds, als „niet onder hen bestaande, en dus ook geene afzonderlijke Administratie „plaats hebbende, te kunnen opgeeven" (notulen fo. 380).

56) Een voorbeeld van zulk een advies geeft het schrijven van directeuren in 1793 (notulen fo. 215) waarbij „na de vaststelling der Bijvoegselen op het Plan der Vereeniging in het jongstverleden jaar" (XVII) (de tractementen waren' toen aanmerkelijk verhoogd en in plaats van één zouden twee nieuwe leeraren gekozen worden) „zwaarigheid" gemaakt werd om reiskosten beschikbaar te stellen voor leeraren die van buiten een beurt in de gemeente vervulden, tenzij er „gewigtige redenen" waren zulk een leeraar te doen optreden. Dat directeuren alleen bezuiniging en geen principiëele bezwaren in de gedachte hadden bewijst het feit dat zij pas in het vorige jaar bij de vacature Loosjes hadden meegewerkt om zes leeraren op beroep te doen preeken, die elk f 25.— (de verstafwonenden zelfs f 50.—) voor reiskosten ontvingen (notulen fo. 177). In verband met art. I der Bijvoegsels (XVII) ligt de veronderstelling voor de hand dat voorheen de leeraren bij ziekte niet voor elkaar insprongen doch op kosten van predikfonds plaatsvervangers van elders lieten optreden: waarvoor directeuren dan thans een schotje staken;