is toegevoegd aan uw favorieten.

De rechtsverhoudingen in de Vereenigde Doopsgezinde Gemeente te Haarlem

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

directeurs van de Secrete Cas te spreeken, hebben zij op den 4 dezer voor berigt ingebragt, dat zij in voldoening van haaren last op den 2den dezer zijn geweest ten huyse van Jan Keteling en aldaar hem en Jacob Verwante onse waarde meedebroederen en leeden der gemeente hebben voorgestelt, dat de dienaaren hadden verwagt,, dat zij als bestierders der zoogenaamde Secrete Cas 'zig bij de dienaaren zouden hebben vervoegt om in plaats van Hendr. Noye goeder gedagtenis een ander te verkiesen agtervolgens de acte van haare verkiesing en 't oude gebruyk in deesen en 't selve niet vernoomen hebbende nu selfs quaamen om tijd en plaats ten dien einde te beraamen.

Waarop de bestierders hebben ten antwoord gegeven, dat zij die verkiesing reets hadden gedaan en van verstand waaren, dat, nadat bij de dienaaren uyt de voorsz. cas waaren getrocken de gelden die zij te vooren daar in hadden gebragt zij haar met de saaken der voorsz. cas niet meer hadden te bemoeien en verder, dat, gelijk zij deze verkiesing hadden gedaan, sonder eenige kennis der dienaaren, zij ingevolg op deselve wijse daar meede meenden te handelen sonder haar des wegen in eenige onderhandeling met de dienaaren in te laaten. Uat niettegenstaande haar eenige bedenkelijkheden hier op wierden tegemoet gevoert het met dit afscheid wierd gelaaten, waarop bij de dienaaren rijpelijk gelet zijnde, zoo is verstaan, dat de voorgewende reeden waarom zij van 't oude gebruyk zijn afgegaan, nam: het trecken der bewuste ƒ2000.— uyt de voorsz. cas geheel ten onregt wort bijgebragt als geschiet zijnde op ordre der gemeente en niet der dienaaren, behalve dat de dienaaren zijn belast met de dispositie en 't beleid niet van dese of geene gelden der voorsz. cas, maar zoowel van die de dienaaren voor de gemeente daartoe zouden geeven als die door bisondere persoonen daaraan zouden gegeeven of gemaakt worden sonder onderscheid, en het t' over bekend is, dat een dispositie en beleid niet afhangen van eige aangebragte middelen, maar van 't believen dergeenen, die eenige saak instellen, anders souden ook geen persoonen tot het bestiere deser cas mogen toegelaaten worden die niet alvorens aan deselve hadden gegeeven, weshalve zoo de voorsz. bestierders uyt dien hoofde eenige reeden van onttrekking of afsondering meenden te hebben zou dat alleen konnen zijn van de gemeente tot welke dese saak in allen gevalle behoort en van de dienaaren ook daar voor gelaate word, alleen daarbij doende dat voor zoover haar niet bewust is, dat zij, bestierders, ten tijde ais in haare tegenwoordighijt bij de broederen de uytkeering der voorsz. somma, wierd beslooten eenige soodanige reeden hebben voorgewend tot onderrigting of waarschouwing der broederen, het haar seer bedenkelijk voorkomt sodanige gevolgen op eige goetdunken stilzwijgende te trecken uyt een handeling waar de gemeente geenszins op sulks is bedagt geweest, die daarom niet zal konnen nalaaten dit vreemt te vinden.