is toegevoegd aan uw favorieten.

Noord-Hollandsche menschen en dingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

anders zoo nuchteren polderslootjes die jaloerschheid in. Onder zijn ophitsend: „Toe, toe, toe, toe!" als hij dat dagen en nachten lang uitloeit, zet het water zich op langs onze wegen, rondom onze weilanden en om onze erven heen. Het wil óók zoo hoog wezen als het water buiten den polderdijk. En dan dwingen onze watertjes ons, die in vriendschappelijke vertrouwelijkheid aan hun zoomen zijn opgegroeid, om met ze te vechten. Want ze beginnen in den mallen hoogmoedswaan, dien de storm hun heeft ingeblazen, reeds bezit te nemen van een deel van ons woonerf. Zij naderen op hun veroveringstocht zelfs het geraniumbed onder ons venster. Zij dringen binnen in de schoentjes van onze kinderen, die in den tuin stoeien. Zietdaar bepaald onduldbaarheden van het wonderbare land, waarin wij wonen.

Vechten dus! Ha, hoe wij tegen het hoog wordende water vechten!

Als ware dat het gebulder van ons krijgsgeschut, zoo dondert in het gebouwtje van het stoomgemaal de machine, die wij in gang gezet hebben. Het reusachtige waterrad vliegt naast het machinegebouw wild rond in den waterplas. Het bruischt, het schuimt, het spat tot op verren afstand om de rondrazende schepraderen heen. Iedere omwenteling werpt een halve sloot tegelijk uit den polder naarbuiten. Het is een grootsch schouwspel om aan te zien, hoe wij tegen „hoog water slag leveren.

Daar bij het stoomgemaal wordt de hoofdslag