is toegevoegd aan uw favorieten.

De psychologie der kleutertaal

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

= moeder schrijft. Van andere kleuters beneden de 2 jaar zijn: „Mama etse = Mama soll sich setzen; Lili alden = Willi soll halten; Mama geben = Mama soll geben; Baba bischbisch = der Vater schlaft; Gash faw = the glass falls.

Zooals uit de gegeven voorbeelden blijkt, hebben we telkens 'n echt wèrkwoord, d. w. z. 'n woord dat 'n handeling aanduidt. Nu is 'n handeling iets voorbijgaands en dus uit z'n natuur slechts vluchtig waar te nemen, waardoor de nablijvende voorstellingen eveneens 'n vluchtig karakter krijgen en het bekendheidsgevoel zich nauwelijks ontwikkelen kan. Geen wonder dus, dat de werkwoorden eerst na de substantieven over den spraakdrempel komen. Zakelijk beschouwd lijken de verbaalzinnetjes sprekend op de vroeger behandelde nominaalzinnetjes. Piet stoel en Piet eten is precies hetzelfde; Piet is subjekt en stoel en eten zijn predikaat; in beide gevallen wordt het tijdelijk samenvallen van twee voorstellingen gekonstateerd en uitgesproken. Het eenig verschil bestaat hierin, dat wij het aanduidend woord van de tweede voorstelling in het eerste zinnetje 'n substantief en in het tweede 'n werkwoord noemen.

Plaatsen wij naast elkaar: Moeder slaan (ik zal moeder slaan) en Moeder schrijven (moeder schrijft), dan blijkt weer het betrekkelijk ongedifferentiëerde in de eerste kleuteruitingen. Men meene niet, dat Keesje hier twee heel verschillende dingen heeft willen zeggen: dat moeder in het eene geval de handeling ondergaat en in het andere geval de handeling verricht. Eenig en alleen heeft hij gekonstateerd, dat er met 'n zelfstandigheid, in casu met moeder, iets gebeurt; de werkwoordshandeling is in verband gebracht met 'n persoon, en daarmee uit. Van 'n onderscheiding tusschen aktief en passief kan hier geen sprake wezen, en moeder moet in het eerste zinnetje, even goed als in het tweede, onderwerp en niet voorwerp genoemd worden. Ook in de taal der volwassenen wordt trouwens aktief en passief niet steeds op verschillende wijze uitgedrukt; we zeggen even goed: ik hoor het koor zingen als: Ik hoor het Wilhelmus zingen. Evengoed: Ik zag den vogel schieten, als: Ik zag den vogel vallen.