is toegevoegd aan uw favorieten.

De psychologie der kleutertaal

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

terwijl auw en kous (— been) elkaar puur toevallig in Keesjes hoofdje ontmoetten. Juist dat blijvend karakter maakt soete tot 'n adjektief; maar auw is en blijft 'n interjektie, als uiting van 'n toevallig gevoelentje. Aan bijna alle personen en dingen uit de kleuterlijke omgeving zit, zooals aan „soete moene" en „fieze vieg" (vieze vlieg), 'n meer of minder sterk positief of negatief gekleurd gevoel vast; nu eens juicht de dreumes in lichten lekkeren zonneschijn, dan weer pruilt hij in triesten grauwen nevel.

Langzamerhand echter begint dat gevoel te slijten; bij iedere nieuwe aanraking boet het iets van z'n sterkte in, tot het ten slotte geheel verdwijnt en er niets meer overblijft dan 'n herinnering van wat eenmaal werkelijk ervaren werd. Voortaan bedoelt het kind dan niet meer het gevoel zélf, maar de vroeger doorleefde lust of onlust. Geen wonder, dat in dit stadium het substantief weer op den voorgrond treedt en het attributieve bijvoeglijk naamwoord de laatste plaats gaat innemen. Zoo ontstaan de verbindingen: moederlief faje-zoet en dergelijke. (Vergelijk uit de taal der volwassenen: God almachtig, Staten Generaal, etc.)

Ook met één infinitief en met 'n paar persoonsvormen verbond Keesje reeds vóór z'n derden verjaardag zoo'n zwak gevoelswoordje. Ehheg pere beteekende „lekker spelen"; toet seer zei hij als hij zich stootte, en als moeder dan de pijnlijke plek met vaseline insmeerde: toe goet; wat later verscheen zelfs het volledige zinnetje: da chaa goet.

Na het adjektief als attribuut, dat in de meeste gevallen vlak vóór het substantief staat en verbogen wordt, komt het gebruik van den onverbogen vorm als predikaat. Van Ginneken verklaart dezen overgang aldus: wat doorgaans prettig aandoet, maakt ook wel eens, maar dan voorbijgaand, een önprettigen indruk. Moene, Ooma en Oopa behooren naar hun wezen tot het „soete" slag van menschen, maar als Keesje stout is, schijnen ze soms plotseling te veranderen en moet de dreumes tot z'n ontsteltenis konstateeren: moene kaad, ooma kaad, oopa kaad. Zoo iets vindt hij vreemd, gelijk iédere verandering of beweging hem opvalt; het maakt niet alleen z'n affektieve opmerkzaamheid, maar ook z'n