is toegevoegd aan uw favorieten.

De psychologie der kleutertaal

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

patrick zijn ontleend aan het woordenboek, en geven dus waarschijnlijk den woordenvoorraad van den gemiddelden volwassene niet zuiver weer. Ernst Meumann maakte 'n statistiek uit z'n talrijke gedrukte werken en vond dat hij ± 15 werkwoorden gebruikte tegen 60 substantieven. (Kirkpatrick: 11 en 60). Veel méér werkwoorden komen voor in „Robinson Crusoe"; de verhouding tusschen werkwoorden en substantieven is hier 32: 60, dus merkelijk hooger zelfs dan bij het kind, waar Tracy immers vond 20: 60. Nu is in dit buitengewoon aktie-rijke boek het verbale element zeker sterker vertegenwoordigd dan in de taal van den doorsnee-volwassene, maar het verschil springt in ieder geval sterk in het oog.

Ernstiger bezwaren echter zijn aan te voeren tegen de stelling die Tracy vérder opzet: het hooge werkwoorden-cijfer bij het kind zou 'n bewijs zijn voor de biogenetische rekapitulatie-theorie. Verondersteld dat Max Müller's meening over de sanskrietwortels juist is, dan nog heeft Tracy niet het recht te zeggen, dat de spraak zich bij het individu en bij het ras in gelijke fasen en langs gelijke lijnen ontwikkelt. Hoogstens kan hij beweren: de taal van het kind en de beginselen der Indo-germaansche talen vertoonen beide dit eigenaardige, dat het element van handeling en beweging ei n ruime plaats inneemt. Het uitrekken der konklusies in deze richting is trouwens bij de voorstanders van de rekapitulatie-wet iets zeer gewoons, niet het minst bij vele kindertaal-onderzoekers, als. Preyer, Compayré,Oltuscewski, Gutzmann, Ament,Egger. Het tegenovergestelde standpunt wordt o.a. ingenomen door Wundt en Meumann, al ontkennen ook dezen natuurlijk niet alle analogie tusschen de kleuteitaal en de taalontwikkeling in het algemeen. Stern treedt in deze kwestie bemiddelend op, en zegt dat men goed zal doen den term van Hackel „biogenetische wet" te vermijden, en, voorzichtiger, te spreken van „genetische parallellen", waarvan het bestaan door niemand, ook niet door Wundt, bestreden wordt. Dit is Stern's slotsom: „Eenerzijds is het aantal der bedoelde overeenkomsten grooter dan Wundt en z'n aanhangers meenen, anderzijds is het parallelisme nergens absoluut, en vertoont talrijke dispariteiten, die wat tot