is toegevoegd aan uw favorieten.

De psychologie der kleutertaal

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geleerd zich zelf uit te voelen, menschen en dingen als andere kleine kindjes te beschouwen en te behandelen, maar zich zelf lös te laten, uit zich zelf uit te treden om één te worden met 'n ander en vervolgens weer tot zich zelf terug te keeren, dat is 'n kunst die ze moeizaam moeten leeren: ze zitten hopeloos gevangen „im lieben Ich".

Het langzaam verloopende uittredings-proces nu registreert zich in het verstaan en gebruiken der persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden. Vooral diè pronomina verdienen onze aandacht, die betrekking hebben op het eigen ik, die van den eersten persoon dus. Nu is het opvallend, dat kinderen zich zelf aanvankelijk aanduiden niet met ik, maar met je. In De roman van een kleuter vinden we daarvan meerdere voorbeelden. Ben je 'n kleine domkop, ben je 'n sufkop zei Keesje van zich zelf, als hij zich op de eene of andere manier vastgewerkt had. En als hij geschrokken was: schrok je van; schrok je 'n beetje van. Ben je 'n zoete jongen beteekende: ik ben 'n zoete jongen; mag je met de kar rijden — ik mag met de kar rijden, enz. Dit alles echter is slechts napraterij: Keesje heeft moeder de geciteerde zinnetjes één of meer malen hooren zeggen en herhaalt ze nu, zonder ze heelemaal te begrijpen, telkens wanneer zich 'n gelegenheid voordoet als die waarbij ze ontstonden. Want er is natuurlijk geen sprake van, dat Keesje reeds dadelijk de relativiteit van het voornaamwoord je zou doorzien, dat hij dus in casu a. h. w. uit zich zelf zou treden om zich op het standpunt van moeder te plaatsen en vandaar uit zich zelf met je zou aanspreken. Je en ook jij zijn aanvankelijk voor den dreumes niets anders dan naampjes, woorden als fluitje en stoel dus, die vastzitten aan bepaalde dingen, hier aan het kindje zelf. Dat blijkt duidelijk uit allerlei vergissingen, die de kleine begaat. Jij heet 'n eigen portretje, omdat het kind vaak gehoord heeft: „Dat ben jij". „Jouw kousen" staat foutief voor mijn kousen. Professor de Vooys vertelt van z'n dochtertje Nelly: „Toen ze 2'/2 jaar oud was, begreep ze jou-stoel als de naam van een bepaalden stoel, waartegen ze zei: „dat is jouw-stoel!" Op de woorden: „Zeg eens ik; Nelly is ik" antwoordde ze: „Nee, Nelly is