is toegevoegd aan uw favorieten.

De psychologie der kleutertaal

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet ik, Nelly is jij!" Allerduidelijkst speuren we hier den invloed van het woordgebruik-door-anderen, dat op 'n verkeerd spoor brengt, zoolang het begrijpen van het relatieve karakter der pronomina nog niet als wegwijzer kan dienen. Je, jij en jou zijn dus eigennamen voor het kind, met konstante beteekenis.

Maar de kleuter heeft ook 'n heuschen eigennaam, de naam waarop hij gedoopt is. Nu lijkt het wel, of moeder en vader en broertjes en zusjes en ooms en tantes bij intuïtie voelen, hoe zij den kleine bij het moeilijke werk der zelfaanduiding de hand kunnen reiken. Ze spreken immers niet van je of jij, maar gebruiken den vóórnaam of 'n troetelwoordje, als ging het over 'n derde: „Wil Wimpje nog 'n stukje koek?" Zal moeder Keesje helpen?" „Broer is zoet." „Zal Zusje niet weer stout zijn?" enz. Wimpje, Keesje, Broer, Zus, etc. krijgen daardoor 'n stabiele beteekenis: Wimpje is Wimpje, en verder niemand. De voornaamwoorden je, ik en andere echter springen van den een op den ander, zijn speelsche vlinders, die nu eens op deze dan weer op die bloem zitten, 't Is dus geen wonder, dat de kleuter reeds lang voor hij deze gaat gebruiken, zich bedient van zn voornaam. Keesje begon er mee tegen het einde van z'n tweede jaar; vele anderen doen het reeds op anderhalf-jarigen leeftijd, dat is haast 'n vol jaar vóór ze zich je en jij noemen. Amerikaansche kleuters schijnen over 't algemeen de Europeesche wat vooruit te zijn. In The pedagogical Seminary vertelt Margaret Morse Nice, dat haar kind zich van 17 tot 22 maanden Baby noemde en toen reeds voornaamwoorden begon te gebruiken.

Ondertusschen gunt de dreumes z'n ooren en z'n hoofdje geen rust, en zoo zal hij eindelijk toch in den wirwar van voornaamwoorden eenig licht gaan zien. Maar 't is wérkelijk 'n wirwar. Vader heet nu eens vader, dan weer je, jij, jou, u en soms ook ik. Met moeder is het ook zoo ongeveer. En met andere huisgenooten en bezoekers ook. En 't kindje zelf heet ook al je en jij en jou soms. Maar nóóit ik, want dat zegt geen mensch tegen Wimpje of Keesje of Broer of Zus. Het eerst begint de dreumes te merken, dat die kleine woordjes alleen gebruikt worden voor vader, moeder, oopa, ooma