is toegevoegd aan uw favorieten.

De psychologie der kleutertaal

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hebben, maar ook hun relatief karakter moet doorgronden, waardoor het vandaag gisteren en het morgen vandaag wordt, dan kan het niet verbazen, dat er dikwijls jaren verloopen, alvorens de volle inhoud van deze woorden klaar tot bewustheid komt.

Wat intusschen vaststaat en duidelijk uit de opeenvolging der tijdwoorden blijkt is: dat het kind zich vroeger voor de toekomst interesseert dan voor het verleden. Geen wonder! Van wat voorbij is heeft de kleuter niets meer te hopen, maar in de toekomst ligt de vervulling van z'n verlangens, het voorwerp van z'n hoop en vrees, zooals we reeds zeiden. Wanneer het voorbije het kind interesseert, dan is het alleen om de blijvende gevolgen. Toen Keesje zei: „spijker jochie gekregen = ik heb 'n spijker van het jochie gekregen, bedoelde hij daarmee: ik heb 'n spijker, die is van het jochie. Keesje mooie taart gebakt beteekent: Kijk 's wat 'n mooie taart ik hier heb; dat is eigen maaksel! De kleuter gaf uiting aan de vreugde van het bezit, zooals hij 'n gevoel van pijnlijk gemis uitsprak in het zinnetje: „Bordje broken; nou heeft Keesje geen bordje meer. Het verleden zit hier nog heelemaal vast aan het tegenwoordige. Met de toekomst is het trouwens precies hetzelfde; gaat Keesje vallen wil zeggen: nü begint het vallen, en 't zal nog 'n poosje voortduren, en dat vind ik niks lekker. Van 'n tijdsonderscheiding is nog geen sprake. Want wat de toekomst eigenlijk is, weet de dreumes nog evenmin als wat het verleden is; beide zal hij tegelijkertijd moeten ontdekken, daar ze alleen door tegenoverstelling ten volle te begrijpen zijn. Daardoor juist zal hij eenig idee van den tijd krijgen.

De verleden tijd eischt 'n dubbele psychische voorbereiding, die we kunnen aanduiden met de termen: herkenning en herinnering.

Heel zwakke sporen van herkenning heeft men bij het kind reeds gevonden in het eerste levensjaar: ze hadden steeds betrekking op personen of zaken waarmee de kleine dagelijks in aanraking kwam, en kenmerkten zich door 'n zeer korten „Latenzzeit". Deze Latenzzeit groeit nu geleidelijk aan: in het tweede jaar kent het kind vader of moeder terug, ook na enkele weken, in het derde zelfs na enkele