is toegevoegd aan uw favorieten.

De psychologie der kleutertaal

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moeder te begrijpen, als die spreekt over het verleden dat hij zelf heeft meegemaakt, en merkt ook op, dat ze zich daarbij van eenigszins andere woorden bedient. En dan is de stap van verstaan naar eigen gebruik spoedig gezet.

Het eerst komen de verleden deelwoorden. We gaven reeds 'n paar voorbeelden: gebakt, gekregen, gebroken. (Zie blz. 128.) Maar heel gauw verschijnt nu ook het perfektum, het deelwoord dus mèt hebben of zijn als hulpwerkwoord. De eerste voorbeelden die van Keesje werden genoteerd, zijn bizonder interessant, want ze toonen duidelijk, dat er nü in het kinderhoofdje ontstaan is 'n vaag tijdidee, 'n soort vermoeden waarover het de kleine met zich zelf nog niet heelemaal eens is en dat hij daarom wenscht te toetsen aan de werkelijkheid. Later zal hij op 'n zelfde manier rekenopgaafjes oplossen, maar, niet zeker van de uitkomst, de proef op de som maken. Kort voor z'n tweeden verjaardag reeds waagde zich Keesje aan dit gewichtige tijd-onderzoek. Op zekeren dag begon hij het een na het ander van de tafel op den grond te gooien: valt de doos, valt de tas, valt allemaal. Toen kwam pas het eigenlijke experiment: Keesje zal oprapen, Moeder zal oprapen. (Hier hebben we al het vormelijk futurum.) En, toen het geschied was: Is allemaal opgeraapt, wat door Keesje niet slechts met groote voldoening gekonstateerd, maar ook, zooals we zien, in 'n korrekten perfekt-vorm werd uitgedrukt, 't Spelletje was te mooi, om het niet nog eens te herhalen. Enkele dagen later ging Keesje dan ook toekomst en verleden opnieuw tegenover elkaar plaatsen. Het eten was afgeloopen en Zijne Majesteit kommandeerde met z'n ouden vertrouwden infinitief: „Moeder opruimen!" Het werk begint en loopt ten einde, en dan stelt de baas met vergenoegen vast: Nou heeft moeder opgeruimd. Al weer 'n perfektum waarop niets te zeggen valt.

En zóó begint het kind door te dringen in de geheimen van den tijd. Wat op dit oogenblik nog wensch, nog hoop, nog vrees is, dat is in 't volgend oogenblik werkelijkheid en onmiddellijk daarop is het al verleden. Dat gaat maar steeds door, als met den jongen, die z'n stokje laat spelen langs 'n ijzeren hek, van de eene spijl op