is toegevoegd aan uw favorieten.

De psychologie der kleutertaal

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zoo ook hier. „Ik choof, et droog is." „Ik choof, et nie waar is," zegt Keesje, en dit zijn geen uitroepen meer, maar konstateeringen, waarbij aan den bijzin nog slechts het voegwoord mankeert, 'n Nieuw kunststuk is de kombinatie: „Zal je nou niet zeggen: je mag niet in de spiegel kijken hoor?", waarbij de kleuter zoo maar zonder meer 'n heelen zin boven op 'n gezegde zet.

Zooals uit het voorwerp de voorwerpszin, zoo ontstaat uit de bijvoeglijke bepaling de bijvoeglijke of relatiefzin en uit de bijwoordelijke bepaling de bijwoordelijke bijzin. Het is verkeerd te meenen, zooals Van Ginneken opmerkt, dat de bijzin ontstaat binnen in den hoofdzin, neen, hij komt tot stand daarbuiten, a. h. w. op z'n eentje, afzonderlijk, en wordt dan als geheel, ineens, als 'n nieuw soort bepaling, in den hoofdzin opgenomen. Van huis uit is de ondergeschikte zin 'n bijstelling, 'n aanvulling, of 'n toegevoegde verklaring bij 'n deel van 'n zin, waartoe de kleuter zich gedrongen ziet z'n toevlucht te nemen, omdat hij anders niet begrepen wordt.

Slechts één relatiefzinnetje werd van Keesje vóór z'n derden verjaardag opgeteekend: „Die t(r)em, die op de rijtuig rijdt", 'n omschrijving voor omnibus, 't Had heel wat in voor Keesje met dit zinnetje klaar was, maar de nood, d. i. de drang om juist te zeggen wat hij bedoelde, hielp hem over de moeilijkheid heen.

Pakkender wordt het zooëven-gezegde geïllustreerd door Keesjes eerste bijzinnetje van tijd. Hij wil zandtaart gaan bakken in den tuin, maar 't is tijd om naar bed te gaan, en dan spreekt hij met moeder af: „Straks in den tuin... als Keesje geslapen heeft." „Als Keesje geslapen heeft" is heel duidelijk 'n nadere omschrijving, 'n bijstelling dus van „straks in den tuin." Maar kort daarop begint het karakter der bijstelling al eenigszins te wijken en na de hoofdbepaling wordt geen rust, geen scheiding meer gemaakt. In één adem komt uit Keesjes mondje: „Gisteren als we bij Oopa geweest zijn." Nog één stap en het bijwoord is weg en de bijzin alleenheerscher. „Zal je nou niet gaan schreien, als ik even wegga." We hebben hier al 'n modél van 'n bijzin: woordschikking en voegwoord, alles is in orde; de afhankelijke is geheel ingelijfd bij den hoofdzin.