is toegevoegd aan uw favorieten.

De psychologie der kleutertaal

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vorm; sporen van analogie 74. — Uit den infinitief ontwikkelen zich imperatief en aantoonende wijs; de imperatief voor verlangens en wenschen, de aantoonende wijs meer voer zakelijke konstateeringen 75. — Ook in de vervoegde vormen nog geen scheiding van aktief en passief 75. — Woordschikking; schijnbare willekeur van den kleuter 75 en 76. — Algemeene psychologische oorzaken van konstruktieafwijkingen bij volwassene en kind 76 en 77. — Voorrang van dat wat het sterkst op het gevoel werkt en van het meest aanschouwelijke 77, 78, 79 en 80. — Vergelijking met de gebarentaal 78 en 79. — Plaats van vraagwoorden, ontkenningen, enz. 78 en 79. — Uit den tweeledigen verbaalzin ontwikkelt zich de drieledige: het nieuwe lid is het voorwerp of de bepaling, die nog niet gedifferentieerd zijn 80. — Eerst ontstaat de kombinatie werkwoord + voorwerp afzonderlijk 80. — Dan wordt er ook 'n onderwerp voorgezet, dat heel licht kan ontstaan uit den vokatief 80 en 81. — Volgorde der drie zinsdeelen met verklaring 81. — Het ontstaan en de woordschikking van 'n drieledigen zin met 'n typisch voorbeeld geïllustreerd 81. — Het eerste spoor van de zich loswikkelende bepaling 82. — Modaliteit der kleuterzinnen uit deze periode 82.

Zesde Hoofdstuk. Van gevoelen naar bedoelen: Blz. 83.—104.

De drie laatste maanden van het tweede jaar als oefentijd voor de bepaling 83. — Toenadering eenerzijds tusschen substantieven als aanduiders van iets blijvends, iets stabiels, en de gevoelstoestanden, die eveneens 'n blijvend karakter vertoonen; anderzijds tusschen werkwoorden en de overgangsgevoelens, die beide gekenmerkt zijn door het vluchtige, veranderlijke, voorbijgaande 83. — Het eerste gebruik der adjektieven als klassisch voorbeeld van de oorspronkelijkheid der affektieve woordbeteekenis en van de langzame verschuiving tot objektieve aanduiding 83 en 84. — Attributief gebruikte bijvoeglijke naamwoorden, eerst vóór het substantief, dan er achter; verklaring 84 en 85. — (De verschuiving van bijv. n. w. naar bijwoord 85). — De onverbogen vorm van het adjektief als predikaat 85 en 86. — In de predikatieven is minder gevoel en meer konstateering 86. — Woorden voor overgangsgevoelentjes als toekomstige voorzetsels, bijwoorden, voegwoorden 86 en 87. — Het eerste voorzetsel 87. — De praeposities worden post-posities, als het aktueel affektieve karakter van het overgangsgevoel geweken is 87. — De overgangswoorden, die eerst alleen bij substantieven voorkwamen, verschijnen nu ook bij werkwoorden 87 en 88. — De overgangswoordjes als predikaat 88. —