is toegevoegd aan uw favorieten.

De Kaukasische Bond en de neutraliseering der koloniën

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tegenover de wereld staat als liet verantwoordelijke, beschermende, welvaart en vooruitgang brengende moederland van Insulinde, hetzij het gebied onder rechtstreek sch Nederlandsch gezag staat, dan wel de inlandsche vorst bij de « Korte Verklaring »(l) het gezag van het Gouvernement erkent, en dan zelfbestuur heeft onder Nederlandsch toezicht, terwijl landschapskassen geheel of ten deele de uitgaven dekken, noodig voor een goed landsbestuur. In de economische geschiedenis van Insulinde was reeds in 1870 een keer ten goede gekomen en zoo wordt Nederland in onze dagen ook door buitenlanders als navolgenswaardig voorbeeld aangehaald (2). Nederland inag met gepasten trots wijzen op zijn Oost-Indisch beleid, vooral sedert de decentralisatie, begonnen in 1903.

Bij de bestudeering van kolonisatie kunnen ook vondsten gedaan worden, die voor andere wetenschappen weer waarde hebben. Het zij mij vergund hier in het kort op te sommen wat iu dezen de door mij voor de Linschoten Vereeniging uitgegeven Reizen in ZitidAfrika in de Hollandse ti.td (3) bieden, waarbij veel wat volstrekt nieuw is.

Lit den aard der zaak zijn voor den aardrijkskundige de cartographische gegevens van belang, het vinden van rivieren, baaien en bergen, terwijl naast de inlandsche namen de door Hollanders gegevene opkomen (4). Van waarde zijn ook de aanwijzingen over een paar eeuwen van de schrikbarende uitdroging van Zuid-Afrik a's bodem(<>), en voor de handelsgeschiedenis vindt men belangrijks

(1) Deze bevat verkort h«t volgende : 1.) de ondergeteekende erkent zijn gebied onder de heerschappij van Nederland te staan en belooft trouw aan H. M de Koningin.

2.) dat hij niet in staatkundige aanraking met vreemde mogendheden zich zal stellen.

3.) dat hij zal naleven alle regelingen over zijn gebied namens H. M. de Koningin te maken.

(2) Zoo heeft o. a. wijlen Generaal Galliéni, oud-Gouverneur van Madagascar, zich uitgelaten, begin 1915.

(3) Deel XI. Reizen in Zuid-Afriha Tochten naar het Noorden 16521686 en deel XII. id 1686-1806. Ze zullen respectievelijk als 1 en II worden aangehaald. Twee volgende deelen handelen over de aanraking met de KafFervolken en zullen eerlang door mij worden voltooid.

(4) Zie den Index van beide deelen op plaatsnamen.

(5) II. 181.