is toegevoegd aan uw favorieten.

Deken De Bo, een groote Vlaming

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eene enkle beuke; geen pilaren,

Geen bouwtrant, geen sieraad;

Een heiligdom, met drie altaren,

Dat kraafsch in 't Westen staat.

En eenzaam, ver van woon en wijke,

't En zij des Herders huis En 't huis van hem die luidt ten lijke En graven delft aan 't kruis.

En toch dat kerksken zoo vergeten,

Zoo needrig het daar staat,

'k Zal 't liefde en dank in 't herte weten Zoo lang mijn adem gaat...

Zoo zong hij : daar immers wierd hij gedoopt : daar dwaalde hij zoo dikwijls in zoete mijmernis door den godgewijden akker waar dierbare nabestaanden rustten 1

Van uit zijne kinderjaren haalde hij later het volgende gebeurtenisje op en, monkelende, vertelde hij aan zijne leerlingen zijne eerste overwinning : hij had in de dorpsschool den eersten prijs behaald in schoon schrift : de jongens haalden hem plechtig in en vereerden hem met eene overgroote versierde pauwpen!

Op veertien jarigen ouderdom ging hy naar het college te Thielt : immers de Herder der parochie liet aan de ouders van den begaafden jongen op eene veelbelovende toekomst hopen. Zooals men ten dien tijde veel placht te doen, lag de jonge student thuis bij eenen burger der stad. Dit schetste in 1875 een schoolmaat, de eerw. heer Van den Poel, pastoor van Proven, af,