is toegevoegd aan uw favorieten.

Deken De Bo, een groote Vlaming

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Van Bavichove op Hulste en dan langs de kalseie Die Thielt door Meulebeke aan Ingelmunster bindt. Zij stapten, stapten achtereen; een' scharremuts (1) met lint Versierde moeders hoofd, zij droeg noch pijp noch strekken. Een donkergroenen doek had ze om haar schoers te dekken, En 't roodgebloemde jakje op den kalmanden (2) rok, Ziedaar hoe vrouw De Bü van Beevren steêwaarts trok; En Narden schiep vermaak in moeders schoone kleeren; Ze mogen ze wel zien, dacht hij, db weerdig' heeren. 't En is toch geenen blaai, en eikendeen weet dit :

Dat volk van leegen rang geen goudewerk bezit.

Trotsch stapte hij voort, en keek of zijne schoen nog blonken; Zijn broek, wier pijpen slechts tot aan de knoezels zonken, Getuigde dat de knaap in vollen groeitijd was,

Daarbij, van wijlen oom een afgedeelde jas Van groene wollen stoffe omzet met blinkersknoppen, Een' male (3) in elke slip, aan eiken schouder stroppen, Daalde af van in den nek tot dichte bij den hiel; Een' keunevellen (4) klak die over de ooren viel Bevrijdde Nardens hoofd van koude en zeere tanden. En moeder, voor 't profijt had hem met eigen' handen Het haar tot bij den nek in eene kruin gesneên.

— En zoo zijn zij te Thielt de straten ingetreên.

Van het eerste jaar tot het laatste stond De Bo aan het hoofd zijner klas. — Schoolmakkers hebben verteld dat hij in zijne jeugd een groot liefhebber was van sterrekunde en dikwijls 's avonds de sterren ging bewonderen. « De Bo gaat naar de sterren kijken, met de lanteern » spotten zijne medeleerlingen. Die lanteern

(1) Eene inuts, effen gestreken, zonder pijpen.

(2) Een rok van kalamande, wollen stof blinkende al een kant.

(3) Maal, groote diepe zak in een kleed.

(4) Van konijnvel.