is toegevoegd aan uw favorieten.

Deken De Bo, een groote Vlaming

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moest dienen om in de duisternis zijnen weg te vinden op de hemelkaart. Daar bleek reeds, van jongs af, zijne geneigdheid tot natuurvorsching, 't was een voorspel zijner drift naar de bloemen : daarom zeker dichtte hij in 1871, sprekende aan zijnen neef :

Sterren en bloemen! Alfonsken, mijn kind!

Sterren en bloemen! 'k heb ze altijd bemind.

Sterren en bloemen! ik wierde een oud man,

Sterren en bloemen! 'k en zweeg er nooit van.

Sterren zijn bloemen in 't blauw firmament;

Bloemen zijn sterren op de aarde in de lent.

Sterren van hier ende bloemen van daar,

Sterren en bloemen weerspiegelen malkaar.

Bloemen in 't groene bevloeren den grond Van het paleis dat de Schepper ons jont;

Sterren behangen de vaute daarvan,

Lampten zoo hooge, 't en kan niemand an. (I)

Bloemen doorbloeien het zomergetij,

Maar met den winter verwelkeren zij;

Sterren verschijnen als de avondbeê luidt,

Maar met den uchtend gaan ze altemaal uit...

Thielt zag dus den student opgroeien tot man en de toenmalige leeraars aan 't college hadden er hunne voldoening in den jongeling « meer mensch » te zien worden : hij had zijnen geest ontwikkeld door vlijtig werken vooral in de studie der oude letteren, zijn hert

(1) Lampen die zoo hoog hangen dat er niemand aan kan.