is toegevoegd aan uw favorieten.

Deken De Bo, een groote Vlaming

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Als het gold Vlaanderen bovenal, was de ingevoelige Leenaart soms guitig en schalksch. Zijn vriend professor Verraes was een vurig bewonderaar van den Franschen kanselredenaar Lacordaire: als hij bij De Bo was sprak hij van niemand anders. « Leenaart, Leenaart, dat zoudt ge moeten hooren ». — « Och zwijg met uwen Lacordaire, allemaal « Fransch lawaai ». Nu, Lacordaire kwam preêken naar Rijssel en na veel moeite kreeg Verraes De Bo mede. De Bo luisterde met gespannen aandacht, en onder het sermoen zag Verraes hoe dikke tranen langs zijne kaken biggelden. Toen ze buiten kwamen zweeg De Bo een tijdlang en eindelijk sprak Verraes : « Wel, Leenaart, wat denkt ge er van? »

— « Och ! Edward, jongen, — en hij zuchtte, —

Edward, die vent spreekt... gelijk 'ne Vlaming ».

* * *

Zeker was De Bo een dichter: geen dichter van hooge vlucht, die grootsche beelden schiep in wondere droomen, maar een biaaf, gevoelig hert dat Kerk, Vaderland, Taal, bloemen, duinen, christelijke liefdadigheid minde en bewonderde, en dit in gewone bewoording voor iedereen vatbaar maakte; — geen fijne kunstenaar, taalmuziek spelend met klank en maat: hij kende eenige maten en goot in die vormen de meest uiteenloopende gewaarwordingen: hebben moderne fijnooren geen vrede met zijn rhythme, toch zal het onvermoeibaar trippelen of het regelmatig wiegen van veel zijner verzen daarom niet minder den « oningewijde » blijven bekoren. Mettertijd kwam er wat beweging in zijne gedichten: ver-