is toegevoegd aan uw favorieten.

Deken De Bo, een groote Vlaming

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nederland. Voor 't overige geeselt hij onbermhertig den man die, « zoohaast hij redeneeren moet, gevoelende dat hij grond mist, beproeft, op zijn harlekijnsch, gekheid en boerterij. Niels zoo slim als die mensch; hij gaat de apen te boven. Dan, zinkende al dieper en dieper, geraakt hij in den stank, en — katijvige Scarron — travesteert hij op eene walgelijke wijze hetgeen hij oordeelmatig niet wraken kan. » Met Dr Nolet's eigen bewoording zegt hij tot slot dat die man « geestbedwelmd is en in tureluursche stemming, en prevelt » iets dat hij niet meent of kwalijk weet, even als hij zich, geheel zijn artikel door, « onhebbelijke taal en ongemanierdheden permitteert. » — Even onzacht vielen menige dagbladen « lijk een hagelvlage op den rug van dien armen Nolet. » — Dr A. De Jager ook, dien men in de « Rotterdamsche Courant » tot medespreken geroepen had, verklaart er « in de verdediging zoomin als in den aanval van Dr Nolet iets schitterends te kunnen vinden. Integendeel, zegt hij, daar is het een en ander in, dat mij, uit achting voor mijn ouden vriend, van den beginne af leed heeft gedaan... De wijze waarop Dr Nolet tegen wat hïm hinderde te velde trok en die ook bij de Akademie de wederspraak van prof. Willems van Leuven uitlokte, acht ik gansch ongepast en onwaardig. Op den ijverenden Westvlaming had aanmerking kunnen vallen : de taalgeleerde en de dichter hadden buiten het spel moeten blijven. Door dezen onnoodig er in te betrekken niet alleen, maar met verguizing te bejegenen, heeft D' Nolet de zaak die hij voorstond en zich zeiven tevens grootelijks benadeeld. » Daarop