is toegevoegd aan uw favorieten.

Deken De Bo, een groote Vlaming

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het aanstaande Concilie van Rome.

Et tenebrse erant super faciem abyssi. Dixitque Deus: fiat lux. Et facta est lux. Gen. I.

De wereld heeft getrild. En gansch het aardrijk staat In zwijgende afwachting van 't geen gebeuren gaat.

't Is hoop bij velen, en bij de anderen angst in de aderen, Terwijl de dagen van het Groot Concilie naderen.

De vorsten op den troon zien twijfelmoedig rond; De dwingeland, die bloed vergiet, verbleekt een stond; De schurken, die maar Kerk- en Staatsverwoesting droomen, Verdwelmen in hun werk en kijken op naar Romen ; De volkeren, vermoeid van dolen, zoeken rust En laaf nis : het Geloof hervlamt, schier uitgebluscht;

En de onderdrukte deugd verademt in haar banden.

't Spelt al verandering: er is iets groots op handen.

Wanneer 't onstuimig wordt in eenen donkren nacht,

Dat de elementen en hun onbedwingbre macht Den oorlog tegen een, met bliksemend rumoeren En schrikbren hagelslag, op wilde orkanen voeren:

Dan davert de aarde en 't schijnt dat 't al te kwiste gaat.

Doch ziet! de nacht vaart voort, en eer de dageraad Verschijnt, de storm valt stil, de lucht klaart op, en de aarde Uit d'ondergang gered die zoo veel angsten baarde,

Verwacht in kalme rust het rijzen van den dag,

Die 't al verkwikken, al vergoên en troosten mag.