is toegevoegd aan uw favorieten.

Deken De Bo, een groote Vlaming

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Rede alleen is God, van allen teugel vrij.

En — ijslijk noodgevolg dier dwaze uitsporigheden —

Gezag met plicht en recht wordt in het slijk vertreden ;

De revolutie, lijk een brandende volkaan,

Rolt hare lava voort, door niets meer te weêrstaan.

't Is wanorde overal, en puinen zonder ende ;

En nievers niet een straal van redding, in de ellende.

Doch neen ! mijn ziel! schep moed ! als 't al verwanhoopt ligt, t Is dan Gods lust en roem dat hij zijn wondren sticht.

En hong ooit zwarter nacht de schepping omgeslagen,

Ooit grooter chaos dan in 't eerst begin der dagen ?

En God is opgestaan, en " Worde 't licht! „ sprak Hij, En hemel, aard en zee wierd glans en harmonij!

Zoo was 't, zoo is 't, zoo zal 't, tot 't einde van de tijden.

Neen, christen, treuren niet! maar hopen en verblijden !

Laat 't nog zoo somber zijn en chaos over de aard,

Laat 't menschdom daveren bij 't stormend wolkgevaart,

Gods almacht zal te meer in haren luister pralen,

Te schooner zal de dag, die volgt, in de oogen stralen !

O 'k zie, op zijne rots, den grooten Pius staan,

En de Englen roepen met de heilige zorg belaan Van ieder christenheid ! En zij, van God gedreven,

Uit oost en west en zuid en noord naar Romen streven,

lk zie ze gaan, een groot getal, van verre en bij,

Door wilde bosschen, door het zand der woestenij;

lk zie ze dalen van de bergen; 'k zie ze varen,

Den afgrond over van de wentelende baren.

De volkren schuiven, bij hun doortocht, uit de baan,

En staren hoog verbaasd die reizende Englen aan,