is toegevoegd aan uw favorieten.

Deken De Bo, een groote Vlaming

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Die samensnellen naar de Moederkerk van Romen,

Gelijk al de aadren in den mensch naar 't herte stroomen.

Ik zie ze naadren, een voor een, en klimmen op

De rots van Pius die daar zetelt op den top.

Zij staan in blank gewaad. Het zijn er oud van dagen

Die om het hoofd de kroon der achtbre grijsheid dragen ;

En andren wier gelaat, gerimpeld en verbleekt,

Van uitgeleden ramp en kerkvervolging spreekt.

Zij zijn daar uit het rijk waar eeuwge zomers branden,

Uit de oude wereld, uit de nieuwverlichte landen

Van in en over zee ! — Buigt, volkren, buigt den knie !

In 't licht van Thabor en 't ontzag van Sinaï

Zit, boven pracht en macht van alle Potentaten,

Het groot Concilie neêr van duizend Kerkprelaten 1

Zij zien het Menschdom arm, vermoeid, gekwetst en krank,

Een' reiziger gelijk, die vele nachten lang

Gedoold heeft door het woud, waar moordenaars in schuilen

En wilde dieren met de stormen samenhuilen ;

En die dan eindelijk, de voeten al in bloed,

Verhongerd, uitgeput, zich neêrzet aan den voet

Van eenen boom, om daar, vertwijflend in gedachten,

De dood, als 't einde van zijn rampen, af te wachten!

Zij zien dat menschdom met oneindge deernis aan,

Omhelzen 't, voelen op hun hert zijn herte slaan,

En laven zijnen dorst, en peilen zijn kwetsuren,

Verbinden ze in den troost die 't lijden zalft, en vuren

Den levensgloed weêr aan in 't half bezweken hert,

En vromen zijn gemoed bij 't balsmen van de smert,

En stellen 't op de baan, om nimmer af te dwalen,

De baan die huiswaart loopt in glans van zonnestralen.