is toegevoegd aan uw favorieten.

Deken De Bo, een groote Vlaming

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het Kerkhof.

Lijk daar de zon in 't westen wegverdween, Zoo snel vergaat ons aanzijn hier beneên.

Gelukkig hij, die steeds den Heer alleen Getrouw bleef minnen!

Daar de avond, die het nachtfloers openspreidt, Mij treffend dit gedacht in 't herte leidt,

Ik stappe traag de zwijgende eenzaamheid Van 't kerkhof binnen.

Gelukkig ja, die God alleen bemint,

In Hem gestaag zijn hoogst genoegen vindt,

't Zij voorspoed hem het hoofd in kransen bindt, Of rampen zeuren.

Hij wijkt de baan waar boos genot in praalt.

Geen heil, zegt hij, dat niet van boven daalt;

Maar vliemen die, in giftig wee verstaald,

Het hert verscheuren.

Hij acht den roem, dien hem de wereld bood, Als ijdlen wind die door de treurijf vlood,

Als 't gravenbloempje dat zijn' kelk ontsloot Om straks te ontbladeren.

De roem, waarnaar zijn eenig streven spoedt, Is dat Gods stem hem klinke in 't rein gemoed : " Gij volgt den weg waar 't schepsel wandlen moet Om Mij te naderen. „